Hoofdstuk 2


Ongeluk

Voorzichtig naderen we het onbekende object en mijn neus prikt door de scherpe geur van vuur. Ik heb de husky gezegd om stil te zijn, en hij begrijpt dat we op jacht zijn. Hij loopt voorzichtig en geruisloos voor me uit, zoals alleen hij dat kan. Hij is helemaal in zijn element, volledig alert en waakzaam.

Tussen de dikke takken en bomen van het bos, verschijnt plotseling een wit apparaat, ongeveer zo groot als een auto. Normaal gesproken zou ik bang zijn, maar op de een of andere manier ben ik dat niet, al zie ik mijn hand wel een beetje trillen.

Naarmate we dichterbij komen, blijkt het inderdaad om een auto te gaan. Het ligt tussen de struiken achter een spoor van vernieling. Dode takken en omgevallen bomen vormen een pad dat een paar meter verderop bij het wrak eindigt. Maar wat is het precies? Een auto, ja. Het lijkt op een soort raceauto, met een vuur dat in het midden brandt waar normaal gesproken de bestuurder zou zitten. Maar er zijn hier geen wegen… hoe is dit voertuig hier beland? En wat ligt daar een paar meter verderop? Het lijkt wel op een vleugel… heeft het soms gevlogen? Dat is toch niet mogelijk? En wie zat er dan achter het stuur? Ik kijk om me heen, maar zie niemand. Wat ik wel zie, zijn voetsporen die vanaf de linker portier ergens achter me in het dichtbegroeide bos in verdwijnen.

Ligt de bestuurder nu daar te branden in het wrak of loopt diegene ergens hier rond? Misschien zijn het er meer dan een persoon… mijn hand trilt opnieuw, maar niet van angst, eerder van opwinding. Eindelijk is er een beetje actie hier. Ik was een beetje bang, dat na zoveel tijd in mijn eentje, het niet lang meer zou duren of ik zou doodgaan van verveling.

Ik houd mijn geweer voor mijn gezicht, alert op mijn omgeving. Het vuur achter ons laait plotseling op. We nemen wat afstand, voor het geval dat alles ontploft. Pat wordt steeds onrustiger, rent om mij heen en blaft in de richting waar de voetsporen verdwijnen.

‘Rustig maar, jongen, rustig maar…’ Ik blijf gefocust met de loop van mijn trillende geweer in mijn handen en zie ineens iets glinsteren tussen de bladeren. We benaderen het langzaam, terwijl mijn hond opgewonden is en erheen wil rennen.

Ik tik op mijn bovenbeen en fluister dwingend: ‘Blijf.’ Ik heb mijn hond goed getraind, anders zou ik gek worden van zijn plasongelukjes binnenshuis. Hij blijft dicht bij me lopen.

Ik slik. Er is beweging in het glinsterende object. Verbeeld ik het me? Maar dan beweegt het opnieuw, en ik weet zeker dat het echt is en geen product van mijn eenzame brein.

Voordat het rationele deel van mijn hersens me eraan herinnert dat er een hele legitieme reden is dat ik hier alleen met mijn hond in een huis in de bergen woon, en dat ik me eigenlijk voor mijn eigen veiligheid zou moeten verstoppen voor alles en iedereen, lopen we met vastberaden stappen naar het object toe. We komen steeds dichterbij, en ik denk dat ik daar een lichaam zie liggen.

Ja hoor. Op de grond, tussen de struiken, ligt een menselijk lichaam. Een grote gestalte. Mijn ogen vallen op een duur uitziend horloge om zijn linker pols, wat het glinsterende object verklaart. Het is een man, met ietwat langer golvend zwart haar dat al een paar maanden geleden geknipt had moeten worden. Hij ligt met zijn gezicht op zijn armen, op zijn buik. Hij draagt zwarte kleding… is dat nou een maatpak? En zijn dat zwarte cowboylaarzen?

Zijn rug en armen zijn gespierd en atletisch. Hij is dus niet zo’n opgeblazen figuur zoals je tegenwoordig vaak ziet, maar eerder een atleet, misschien wel een basketballer. Lang, slank en gespierd, dat kan ik zelfs door zijn kleding heen zien.

Plotseling begint het lichaam te bewegen en ik schrik van de onverwachte beweging. Pat blaft, maar gaat naast me zitten terwijl hij naar de man kijkt. Dan horen we een soort hoesten en zien we hoe de man met moeite zijn hoofd omhoog probeert te tillen. Ik kom wat dichterbij om hem te helpen en merk dat hij zijn ogen samengeknepen houdt. Zijn gezicht… het is… het mooiste gezicht dat ik ooit heb gezien. Zelfs met zijn ogen dicht kan ik zien dat hij ongelooflijk knap is.

Hij is adembenemend… hij is perfect. Hij heeft echt zo’n gezicht van een model, met hoge jukbeenderen en diepe oogkassen. Je zou denken dat zulke mannen niet echt bestaan. Het lijkt alsof hij rechtstreeks uit een laboratorium komt, waar iemand besloten heeft om het DNA van David Gandy te mengen met die van Michele Morrone. O, en alsof dat nog niet genoeg was, hebben ze er nog een vleugje Henry Cavill aan toegevoegd voor de scherpe kaaklijn. De man opent met moeite zijn ogen en dan besef ik dat ze er ook een vleugje Oscar Isaac aan hebben toegevoegd voor die twee doordringende bruine ogen die vol met pijn zitten.

Hij maakt een hees geluid, en dat bevestigt voor mij dat hij inderdaad pijn heeft. Ik laat mijn geweer zakken en bekijk hem nogmaals. Zijn kleding ziet er kostbaar uit. Zijn cowboylaarzen lijken gemaakt van slangenleer, en het pak dat hij draagt, past perfect bij zijn indrukwekkende lichaam. En zouden dat echte diamanten zijn in zijn horloge?

Wanneer hij zijn arm smekend naar me uitstrekt, realiseer ik me dat ik als een idioot naar deze prachtige, gewonde man heb staan staren in plaats van hem te helpen. Zijn charmante toch gepijnigde gezicht doet me uit mijn betovering schrikken en ik kniel naast hem neer, terwijl ik mijn shot gun op de grond leg. Hij laat zijn hand weer zakken en klauwt met zijn vingers in de grond. Hij hoest diep en kreunt luid. Het klinkt scherp en benauwd. Zou hij iets gebroken hebben?

Ik buig me over hem heen en probeer te zien of er ergens een bot uitsteekt. O god laat er alsjeblieft geen bloed zijn…, na een grondige inspectie van wat ik kan zien – en dat is niet veel omdat hij op zijn buik ligt – detecteer ik geen wonden of uitstekende botten. Zucht, wat een opluchting…

De man hoest een paar keer en ademt moeizaam. Er klinkt een piepend geluid uit zijn longen. Met moeite tilt hij zijn hoofd weer op en kijkt me smekend aan met zijn mooie, pijnlijke bruine ogen.

‘O verdomme, wat moet ik hier nu mee?’ Mompel ik tegen mezelf en leg voorzichtig mijn hand op de zijne.

‘Hallo?’ Ik vraag me af waarom het als een vraag uit mijn mond komt. Zijn huid voelt zo heet aan dat het bijna onaangenaam is. Deze hele situatie is onaangenaam. De man heeft duidelijk veel pijn, we zijn vele kilometers verwijderd van een ziekenhuis  en ik heb geen telefoon of internetverbinding.

‘Ben je in orde?’ Zijn brede vingers krullen zich om de mijne, maar hij trekt ze reflexmatig terug terwijl hij probeert adem te halen met zijn piepende longen.

Ik kijk om me heen en besef dat we echt een groot probleem hebben. Ik kan hem hier niet zomaar laten liggen. ‘Wat nu, Pat? Heb jij nog slimme ideeën? Pat blaft een paar keer.

‘O ja! Geweldig idee!’

Dan richt ik me tot de man voor me en vraag: ‘Heb jij een mobiele telefoon? Zodat we een dokter of het alarmnummer kunnen bellen?’

Zijn gezicht vertrekt van pijn en zijn prachtige bruine ogen knijpen samen. Is alles aan deze man mooi?

‘Nee… geen ziekenhuis,’ bromt de vreemdeling met een krakende, bijna onhoorbare stem.

Hij zucht en voegt eraan toe: ‘Niemand…’ Hij laat vermoeid zijn gezicht weer op de grond vallen en hij begint weer moeizaam adem te halen.

‘Waarom mag ik niemand bellen?’ Mijn toon is ongelovig, bijna schreeuwerig.

Ik merk dat zijn hand nog steeds in de mijne ligt omdat hij er zwakjes in knijpt. Hij fluistert heel zachtjes, zo zachtjes dat ik moeite moet doen om hem te horen: ‘Nee, geen dokters.’

Verward wil ik hem vragen waarom niet, maar hij onderbreekt mijn gedachten door zijn hand uit de mijne te halen en langzaam naar mijn gezicht te bewegen. Ik leun een beetje naar achteren, maar blijf waar ik ben. Terwijl zijn vinger mijn wang zachtjes streelt, fluistert hij vragend: ‘Ben jij soms een engel?’

Wat? Heb ik dat goed gehoord? Of hallucineert deze man door een hoofdwond? Hij moet hard op zijn hoofd zijn gevallen. De man laat zijn hoofd weer zakken en ik schud voorzichtig aan zijn schouder.

Oké Angie, je kunt deze man niet zo achterlaten. Je moet hem op de een of andere manier naar binnen zien te krijgen.

‘Oh ja, Einstein? Denk je dat ik daar zelf niet aan had gedacht?’

Ik zou het toch liever hebben als je me de meest sexy man op aarde noemt. Einstein zou ook goed zijn geweest als je het niet zo sarcastisch bedoelde …

Ondanks de ongemakkelijke opmerkingen van mijn echtgenoot, negeer ik ze en leg ik geruststellend mijn hand op die van de gewonde vreemdeling. Kalm blijven en laten zien dat ik alles onder controle heb, is superbelangrijk nu.

‘Oké, oké. Je moet in ieder geval naar binnen, want je kunt hier niet blijven liggen. Maar ik kan je onmogelijk dragen. Misschien heb ik een kruiwagen of iets dergelijks… ik ben zo terug, oké?’ Hoe ga ik in godsnaam deze man, die eruitziet alsof hij twee meter lang is en tweehonderd kilo weegt, in mijn eentje in een kruiwagen krijgen? Ik kan niet geloven dat dit nu echt gebeurt.

De man geeft geen antwoord. Hij hoest niet meer en het piepende geluid is ook gestopt. Is hij flauwgevallen? Ik besluit dat ik haast moet maken. Ik weet niet precies wat er met hem aan de hand is, maar het ziet er niet goed uit. Bovendien is hij veel te knap en rijk (zo aan zijn diamanten horloge en krokodil lederen laarzen te zien) om hier dood te gaan. En eerlijk gezegd heb ik geen zin om een graf te graven. Weet je wel hoe zwaar dat is?

‘Blijf hier, Pat. Bewaak deze man. Ik ben zo terug.’

‘Blaf, blaf!’ antwoordt mijn slimme hond.

‘Goed zo!’ Ik geef hem een aai over zijn kop, sta op en begin te rennen. Gelukkig ligt de kruiwagen precies waar ik hem verwachtte, en kan ik snel terugkomen. Tegen de tijd dat ik op de plek ben waar ik de vreemdeling achtergelaten heb, hijg ik als een wild paard. Het is best een eind lopen vanaf hier. Hoe ga ik deze man in hemelsnaam in mijn huis krijgen, helemaal in mijn eentje?

Maar waar is de man nu? Hij is er niet meer. Ik kijk om me heen en hoor dan Pat blaffen. Tot mijn verbazing zie ik iets verderop de man op handen en knieën kruipen en een husky naast hem lopen… maar… ze gaan de verkeerde kant op!

Wanneer ik hem bereik en door mijn knieën naast hem zak, hoor ik zijn raspende ademhaling en zie ik hoe hij worstelt om de ene knie vooruit te krijgen, dan een arm, dan weer een knie, dan weer een arm. Hij beweegt heel langzaam, alsof zijn lichaam te zwaar is voor hem. Het ziet eruit alsof dit het moeilijkste is dat hij ooit heeft gedaan. Alarmbellen gaan af in mijn hoofd wanneer ik deze man die er zo viriel en sterk uitziet zo zie worstelen.

Ik zak door mijn knieën en kijk hem recht in zijn mooie, pijnlijke ogen. ‘Heb je niets gebroken?’ Wat hij niet doet is mij antwoorden met woorden, maar door langzaam zijn hoofd te schudden. Wat hij wel doet, is een zware, lange arm op mijn schouders leggen en zich met zijn andere hand van de grond afduwen. Hij probeert zijn gewicht op mij te laten rusten, en ik zak bijna door mijn benen.

Oef! Deze man weegt inderdaad tweehonderd kilo! Zijn botten zijn vast van cement gemaakt. Alsjeblieft, Jezus, laat mijn rug niet breken nu.

Ik kreun en mijn knieën knikken. Er is een grote kans dat mijn heupen uit de kom schieten of iets dergelijks.

‘Kun je lopen?’ Er dringt een heerlijke, mannelijke geur in mijn neus en ik haal diep adem. Wat is dit? Ik heb nog nooit zoiets geroken. Het lijkt op… toffee- of karamel… maar dan met een scherp fris randje…. Toffee-ijs! Dat is het! Het is een verslavend geurtje en lastig om het precies te beschrijven, maar ik kan er geen genoeg van krijgen. Moeizaam sta ik langzaam samen met hem op en wacht geduldig tot hij zich naast me enigszins rechtop kan krijgen. Ondertussen haal ik een paar keer diep adem. O mijn god, ik raak bijna high van zijn geur… ik zweef bijna wanneer ik weer naar zijn gezicht kijk. Hij kijkt me nu zeer geïntrigeerd en een beetje ongeduldig aan.

‘Stond je me nu te besnuffelen?’ vraagt zijn diepe, krakende maar toch dwingende stem.

Verdomme! Hoe lang heb ik hier staan inhaleren? Ik herstel mezelf en zeg: ‘Sorry, Knapperling, maar als je niet wilt dat meisjes gek van je worden, dan had je die geur niet over je hele lijf moeten besprenkelen alsof je in een deodorant reclame was. Ben je er klaar voor? We gaan eerst draaien en dan rustig en langzaam de andere kant op lopen, oké?’ Ik wijs met mijn hoofd in de juiste richting.

Hij antwoordt met een voorzichtige stap en een gewicht die zwaarder wordt terwijl hij zichzelf steeds meer op mijn schouders ondersteunt.

Deze man lijkt niet veel woorden nodig te hebben. Het is eerder een man van actie… Ik vraag me af wat hij normaal gesproken in het leven doet. Is hij misschien piloot? Die experimentele vliegtuigen test? Als dat zo is, dan heeft hij er niet veel van gebakken, gezien zijn crash. Maar misschien lag het niet aan hem, maar was er iets mis met het vaartuig. En wat doet hij nog meer? Vooral met die handen. Die grote handen en volle lippen…

Misschien heeft deze man pijn en daarom zegt hij niet veel, ondeugende meid. Ik stel voor dat je stopt met je seksuele fantasieën en hem helpt…

De vreemdeling heeft geen idee van mijn ongepaste gedachten en mijn innerlijke gesprek met mijn overleden echtgenoot. Hij sist diep en laag, en het klinkt pijnlijk. Ik maak me zorgen over de staat van mijn onderbroek. Niet alleen omdat zijn gekreun ongelooflijk seksueel klinkt, maar vooral omdat ik denk dat er een beetje urine ontsnapt is toen hij zijn gewicht op me drukte.

Stap voor stap bewegen we samen, kreunend, zuchtend en hoestend (hij hoest, ik kreun en zucht alleen). Het duurt uren voordat we eindelijk bij het huis aankomen. Gelukkig had ik de deur op een kier laten staan, en die schop ik verder open.

Terwijl ik probeer om wat lucht binnen te krijgen (Jezus, ik dacht dat ik een betere conditie had), zeg ik: ‘Nog even volhouden, grote jongen. We gaan je op de rode bank installeren en dan zijn we voorlopig klaar.’ Hij trekt een bedenkelijk sexy wenkbrauw op. Ben ik te ver gegaan met de opmerking over ‘grote jongen’? Maar het is toch waar? Hij is toch groot? En hij is ook een jongen… hoewel, hij is eigenlijk een man. Een echte kerel. Misschien moet ik hem voortaan ‘grote kerel’ noemen, als hij daar gevoelig voor is… maar dan bereiken we de bank en hij laat zich er snel op vallen.

‘Voorzichtig!’ gil ik, maar ik ben te laat. Hij heeft zichzelf al geïnstalleerd. Hij zucht diep, laat zijn ogen dichtvallen en draait zich om. Hij ligt met zijn rug naar me toe, en ik sta daar het zweet van mijn voorhoofd af te halen, bedenkend dat ik waarschijnlijk een fysiotherapeut nodig heb. Of een chiropractor. Mijn rug doet pijn, zeg!

Daar sta ik dan even, zijn grote in pak gehulde rug bewonderend, terwijl mijn borst nog steeds als een gek op en neer gaat en ik probeer mijn hartslag weer kalm te krijgen. Na een paar momenten lijkt zijn ademhaling ook rustiger te worden en lijkt het erop dat hij slaapt. Of zou hij het bewustzijn hebben verloren? Ik leg mijn hand op zijn pols naast zijn dure horloge, druk mijn vingertoppen op de juiste plek en wacht af. Ik tel de stevige hartslagen en besef dan dat ik geen idee heb waar ik mee bezig ben. Ik ben toch geen verpleegster of zo?

Ik loop naar de andere kant van de bank zodat ik weer naar zijn gezicht kan kijken. Hij is werkelijk de mooiste man die ik ooit heb gezien. Prachtig zou ik bijna zeggen, maar prachtig is niet helemaal het juiste woord. Dikke, donkere wenkbrauwen geven vorm aan diepliggende ogen met grote, lange wimpers die wel nep lijken. In eerste instantie, zo in het bos, dacht ik dat zijn haar zwart was, maar nu zie ik dat het wel heel donker is, maar niet pikzwart. Het zit ergens tussen zwart en bruin in. Hij heeft een perfecte neus, een rechthoekige kaak en volle lippen aan een grote mond en het geheel is gewoon te veel. Hij ziet er bijna onmenselijk uit. Hij is stoer en elegant en imposant, alles tegelijkertijd. En dat terwijl hij slapend op mijn bank ligt. Ik kan me alleen maar voorstellen hoe indrukwekkend hij wel niet moet zijn wanneer hij bij zijn volle bewustzijn is… Wie zou hij zijn? Hij ziet eruit alsof hij veel geld heeft. Misschien is hij wel een bekend persoon of zo, maar ja, dat kan ik niet weten aangezien ik geen tv of internet heb. Misschien is dat de reden waarom hij niet wil dat ik een dokter erbij haal?

Zijn ogen gaan open en ik stop met ademhalen. De intensiteit van zijn blik doet iets met mijn darmen. Het dringt tot me door en geeft me een ongemakkelijk gevoel. Het is alsof hij woedend is. Alsof ik iets verkeerds heb gedaan en hij me met die blik zou willen vermoorden. Zijn intense focus daalt op me neer en mijn hart gaat harder kloppen. Een sterk gevoel van gevaar overvalt me, dat roept: ren, ren, ren!

De man is gewond, Angie, hij kan nauwelijks ademhalen, laat staan jou vermoorden.

‘Gaat het een beetje?’ vraag ik hem met trillende stem.

‘Zal ik je naar het ziekenhuis rijden? Of misschien kan ik iemand voor je bellen die je dan komt halen? En ook je auto komt ophalen, of vliegtuig of wat het dan ook is waarmee je neergestort bent? Of misschien je vrouw?’ Een trouwring is nergens te bekennen en ik besef dat ik nu aan het doordraaien ben. Ik heb normaal gesproken al weinig controle over wat er uit mijn mond komt, maar nu, terwijl hij zo indringend naar me kijkt, voel ik me heel klein en bang en tegelijkertijd gefascineerd en opgewonden, en maakt mijn mond van de gelegenheid gebruik om alles maar uit te spuien wat er in haar opkomt. Ik heb een grote mond en als je me eenmaal op gang brengt, houd ik nooit meer op. Mijn brein, mijn hart en mijn mond zijn allemaal in een soort schoktoestand.

De mysterieuze, gewonde, geweldig mooie man staart naar me met die bijna gloeiende ogen die zich ineens vullen met tranen. Hij kijkt naar een plek achter mij en mompelt: ‘Wat mooi…’ Zijn borst gaat op en neer in kleine stoten en zijn ogen worden angstig groot tot ze ineens weer dicht vallen. Gaat hij nou dood?

Ik kniel naast de bank en pak zijn grote hand vast. ‘Vertel me wat ik moet doen,’ smeek ik hem.

‘Het is niet nodig om dokters, ziekenhuizen of de politie te bellen… niemand…’ hij maakt zijn zin niet af, maar de sissende manier waarop hij praat, laat mijn haren overeind staan. Ik stop met ademhalen.

Wanneer hij zwijgt en zijn ogen niet meer opent, zeg ik: ‘Je hebt hulp nodig. Als ik geen dokter mag bellen, is er dan iemand anders die ik kan bellen? Waar is je mobiele telefoon?’ Ik begin in zijn broek te voelen, op zoek naar zijn zakken, maar hij vangt mijn hand op en opent zijn ogen weer. ‘Geen telefoon. Nee. Niemand. Mijn mensen komen snel.’

Zijn mensen? Echt waar? Bedoelt hij zijn familie? Of zijn vrienden? Of zijn collega’s? Wie is deze man? Terwijl hij mijn hand stevig vasthoudt, trekt hij me snel naar zich toe. Ondanks zijn onzichtbare wonden is hij nog steeds sterk. Met mijn gezicht heel dicht bij het zijne en de geur van toffee, fluistert hij met dwingende toon: ‘Nee. Niemand. Beloof het me.’

Dus ik moet hier maar wachten en hopen en bidden dat hij niet op mijn meubels sterft en dat ‘zijn mensen’ hem snel komen halen? Ik begrijp echt helemaal niets van deze man. Maar voordat ik hem vragen kan stellen, vallen zijn oogleden weer dicht en zakt hij weg.

Verder lezen?

Één reactie Voeg uw reactie toe

  1. Lutgart Van litsenborgh's avatar Lutgart Van litsenborgh schreef:

    Ik werd vanaf de eerste zin meegezogen in het verhaal. Laat het maar heel snel 2024 zijn, dan kan ik het volledige boek verslinden. 😘😘

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie