Hoofdstuk 5


De tuthola’s

Het is nu een dag later. Het is vroeg in de morgen en ik geniet van dit moment van stilte in mijn mooie rustieke keuken.

Deze keuken is echt een krachtpatser, precies wat je zou verwachten van een oom die een echte man was en wist wat hij deed. Het is alsof hij een stukje natuur heeft genomen en het in huis heeft gebracht. Die eettafel is zo massief, die gaat nergens heen.

De zwarte kasten geven een stoere uitstraling, maar het voelt ook gezellig aan, alsof je in een oude Engelse pub bent waar je elke avond zou willen eten. Het is echt een mannenkeuken, maar op zo’n manier dat iedereen er wel iets moois in kan zien. Het is stoer, maar ook gastvrij. Dus ja, ik vind het echt tof, het heeft karakter en ziel.

En nu is het tijd om kaas te maken!

Terwijl ik alle spulletjes die ik nodig heb uit de kastjes haal en op het aanrecht neerzet, denk ik na over de vreemde vakantieganger die recentelijk mijn huisgenoot is geworden.

Ik begrijp nog steeds niets van de man. Ik heb geprobeerd meer te weten te komen, maar hij is net een kluis. Ik weet nog steeds niet wat zijn achternaam is, wat hij voor de kost doet of wat voor een apparaat dat was waar hij in is neergestort. Hij zei wel dat hij zich veel beter voelde en vroeg me of hij van mijn badkamer gebruik mocht maken. Ik vroeg hem of het wel verstandig was om dat in zijn eentje te doen, ik bedoel, we weten nog steeds niet wat voor een rare aandoening dat was wat de oorzaak was van zijn lange bewusteloosheid, maar hij verzekerde me ervan dat hij zich goed genoeg voelde.

Met een stapeltje kleding, die ik in de oude kamer van mijn oom had gevonden en die hem wel zouden kunnen passen, tikte ik op de badkamerdeur.

Ik hoorde dat de douchekraan al aanstond en besloot snel naar binnen te gaan om de kleding voor hem klaar te leggen zodat hij die  aan kon trekken als hij eruit kwam. Hij kon toch niet met zijn sjieke maatpak blijven rondlopen? Dat leek me niet bepaald comfortabel.

Mijn badkamer past perfect bij de rustieke charme van dit bergboerderijtje, met net als mijn keuken, veel hout en natuurlijke elementen. Dat kleedje op de vloer is trouwens een glijbaan in vermomming – je glibbert sneller weg dan je ‘oppassen’ kunt zeggen. En dan dat toilet, zo onschuldig wit daar in de hoek, heeft duidelijk geen idee van zijn lot als troon van de knapste man op aarde.

Net toen ik dacht: ‘Oké, tijd om te gaan’, maakte een plots geluid me aan het schrikken. Het was de douchewand die me een halt toeriep. Ik draaide me om en daar stond hij dan, de man van mijn dromen, alsof hij zo uit een reclame voor douchegel was gestapt. Daar stond hij, zijn perfectie niet te bevatten, met een acht-pack die nog meer indruk maakte dan een bergbeklimmer op de Himalaya zonder veiligheidsnet.

O. Mijn. God. Dit moest wel het mooiste, meest sensuele en opwindende tafereel zijn dat ik ooit had aanschouwd.

Natuurlijk zag hij me wel, ik was de vrouw die op nog geen meter afstand stond, met haar mond open als een vis op het droge. Maar ik zei niets, en hij bleef me rustig bekijken, zijn wimpers langzaam bespikkeld met waterdruppels. Schaamte leek niet in zijn woordenboek voor te komen. En waarom zou het ook? Met dat lichaam van hem, perfectie tot in de puntjes uitgevoerd, zou ik me ook niet schamen.

Zijn huid glinsterde als zijde onder de verkwikkende waterstralen, een lust voor het oog. Elke druppel leek als een parel in slow motion met veel plezier op zijn lichaam neer te dalen en moeiteloos over zijn welgevormde spieren te glijden. Zijn brede schouders en gespierde armen getuigden van kracht en mannelijke gratie, terwijl zijn ranke taille en strakke heupen een symbool van mannelijke perfectie waren.

Zijn gelaat zag er ontspannen uit en straalde zelfvertrouwen uit, met scherpe kaaklijnen en een rechte neus die harmonieus samensmolten tot een onweerstaanbaar geheel. Zijn donkere, doordringende ogen leken op lome wijze recht door me heen te kijken, als ware ze poorten naar een wereld van geheimen die hij met niemand hoefde te delen. De vochtige, donkere lokken van zijn haar plakten aan zijn voorhoofd en sierden zijn hoofd als een kroon van verleiding.

Hij ging gewoon ongegeneerd door met zichzelf schoon te maken terwijl ik met grote ogen naar hem keek. Zijn handen gleden sloom door zijn schuimende lokken terwijl hij zijn haar verzorgde. Alles leek te vertragen tot een bedachtzame beweging, en ik stond als aan de grond genageld, genietend van het schouwspel dat aanvoelde als een scène uit Magic Mike.

Hou je ogen op zijn bovenlichaam Angie, niet naar beneden kijken. Wat er ook gebeurt, niet naar beneden kijken!

Mickey schreeuwde in mijn oor en op wonderbaarlijke wijze luisterde ik eens een keer naar mijn dode echtgenoot. Ik haalde diep adem om me te concentreren op wat er boven het heupgebied allemaal gebeurde en vooral niet naar beneden te kijken terwijl zijn aanwezigheid de kamer vulde met de opwindende energie die hij uitstraalde, waardoor mijn hart een slag leek over te slaan.

En terwijl ik daar stond, gevangen door zijn aanblik, drong het besef tot me door dat dit moment, dit beeld, voor altijd in mijn geheugen gegrift zou blijven als een herinnering aan de tijdloze schoonheid die voor me stond.

Plotseling leek hij klaar te zijn met zijn haar en liet zijn armen zakken, die soepel over zijn stevige buikspieren gleden. O, wat was ik jaloers op zijn handen – ze leken de gelukkigste ter wereld te zijn, als een puppy die een berg botjes ontdekt, zo voelden zijn vingers zich vast, terwijl ze over zijn perfecte lichaam dansten.

Gebeurde dit nu echt? Of was het weer mijn overactieve fantasie die een spelletje met me speelde? Terwijl mijn gedachten een heuse rondedans uitvoerden, hoorde ik hem ineens:Blijf je nog lang staren, of kom je er gezellig bij?’ met een vleugje humor zeggen.

Ik verdween daar als een schaduw, nog sneller dan een haas na een extra kop koffie.

De rest van de dag heb ik amper thuis doorgebracht. Ik maakte een flinke wandeling met Patrick, hopende dat mijn opgewonden zenuwen tot rust zouden komen. Ik gaf de man het voordeel van de twijfel dat hij de weg naar de koelkast wel kon vinden als hij honger had. Bij terugkomst s ’avonds laat ontdekte ik hem in de oude kamer van mijn oom (je raadt het al, ook veel hout en zwarte meubels in dezelfde stijl als de rest van het huis), comfortabel uitgestrekt op het houten bed.

Terwijl hij daar lag te slapen als een koning, vroeg ik me af wat ik in hemelsnaam met deze situatie moest. Na veel getob kon ik geen antwoord formuleren. Mijn enige hoop was dat hij snel zou worden opgehaald en dat mijn leven weer terug naar normaal zou keren. Maar diep vanbinnen vroeg ik me af, was dit leven, zo ondergedoken in de bergen, nu eigenlijk wel wat ik wilde?

Na een doorwaakte nacht vol piekeren, tracht ik nu mijn gedachten weer op een rijtje te krijgen door me te wijden aan het wekelijkse ritueel van het kaasmaken.

De ochtendzon werpt een warme gloed over mijn berghuisje terwijl ik mijn schort omknoop. Mijn handen werken bedreven, vertrouwd met het proces. Ik vul een houten bak met verse, warme geitenmelk en voeg voorzichtig stremsel toe, roerend met een oude houten lepel. Terwijl de melk langzaam stremt, bedek ik de bak met een linnen doek en geef ik me over aan het geduld van fermentatie. De lucht vult zich met een beloftevol aroma terwijl ik wacht.

Plotseling klinkt er een gedempt geluid achter me. Ik schrik op en draai me om, betrapt door zijn aanwezigheid. Daar staat hij, zijn gezicht ernstig en zijn ogen doorspekt met een zweem van diepgewortelde pijn. Wat zou er door hem heen gaan? Is het verdriet, woede, pijn? Ik ken hem niet goed genoeg om zijn gemoedstoestand af te lezen. Schaamte overvalt me terwijl ik denk aan wat er gisteren in de badkamer is gebeurd.

Mijn wangen kleuren lichtjes terwijl ik mijn handen afveeg en stamel, ‘Oh, hoi … ik was gewoon bezig met kaas maken.’ Tot mijn verrassing zie ik dat de kleding die ik hem gaf, een zwarte cargobroek en een eenvoudige grijze T-shirt, hem als gegoten zit. Het versterkt zijn stoere uitstraling en maakt zijn stille verschijning alleen maar indrukwekkender.

Hij knikt begrijpend. ‘Ziet eruit als een kunst op zich,’ zegt hij terwijl hij naar de bak met gestremde melk wijst. Ik ben dankbaar dat hij niet over de badkamerscène begint.

Ik glimlach verlegen (sinds wanneer ben ik verlegen?), mijn zorgen verzacht door zijn vriendelijke reactie. ‘Ja, het is een oud familierecept. Ik houd ervan om het traditioneel te doen.’

We delen een moment van stilte, de spanning van het onverwachte samenzijn begint langzaam weg te ebben. Ik kijk hem aan, mijn blik speels terwijl ik mijn woorden uitspreek: ‘Het voelt alsof jij op bezoek bent en niet alsof je al een paar dagen op mijn woonkamer bank ligt.’

Hij lacht zachtjes en schudt zijn hoofd.

‘Wil je een kopje thee?’ Dwing ik mezelf te vragen. Waarom voel ik me altijd zo ongemakkelijk bij deze man? Hij heeft een bepaalde aura waar ik niet alleen ontzag voor heb, maar waar ik vooral ook vreselijk onzeker van word.

Hij werpt een ironische blik op zichzelf en geeft me een kleine glimlach. ‘Zie ik eruit alsof ik thee drink?’

Ik voel mijn ondeugd opkomen en probeer mijn lach in te houden: ‘Nee, eerder proteïne shakes. Of whiskey …’

Hij trekt een verbaasd gezicht. ‘Heb je whiskey?’

Tuurlijk! Tenminste …’ ik loop naar een kastje in de hoek van de keuken en maak het deurtje open om daar een hele batterij aan alcoholische dranken te laten zien ‘… mijn oom hield wel van een drankje. Ik sluit het kastje weer en knipoog: ‘Jammer dat het pas 7 uur ’s ochtends is …’

Hij haalt nonchalant zijn schouders op. ‘Doe dan maar thee.’

Terwijl ik de waterkoker aanzet en me weer richt op mijn kaasmakende activiteiten (proberend zo natuurlijk mogelijk over te komen en niet als een zenuwachtig klein meisje), zie ik uit mijn ooghoek dat hij tegen het aanrecht leunt en mijn bewegingen volgt met zijn donkere ogen.

De stilte is geladen en het duurt lang. Ik zit me af te vragen of er een onderwerp is waar we wel over kunnen praten en wat dat zou kunnen zijn, wanneer hij plots, dank u god, de stilte doorbreekt. ‘Wat leuk om je zo mee te maken.’

Ik kijk op, voel een lichte blos op mijn wangen vanwege zijn opmerking. ‘Zo, wat?’

Hij lacht misschien niet, maar zijn ogen kijken warm en geruststellend. ‘Zo thuis. Zo echt. Zo kwetsbaar, onbehoedzaam.’

Een kleine frons verschijnt op mijn voorhoofd. ‘Zou ik op mijn hoede moeten zijn?’

Een sinistere lach ontsnapt aan zijn lippen. ‘Bij mij? Altijd. Maar niet op de manier waar jij aan denkt. Je hoeft niet bang voor me te zijn.’

Onze ogen ontmoeten elkaar en ik houd zijn blik vast. ‘Ben ik niet.’

Zijn ogen glijden over me heen, en er ligt een mysterieuze glans in zijn blik. ‘Niet liegen.’

‘Ik lieg nooit,’ zeg ik fluisterend. Ik vind het vervelend dat ik mezelf moet verdedigen tegenover deze man. Nog erger, dat ik nu pas besef dat hij gelijk heeft en dat ik wel degelijk een beetje bang voor hem ben. Niet in de zin dat hij mij iets aan zou doen, maar meer over wat hij mij zou kunnen laten voelen. Of niet voelen. Het is … verwarrend. Misschien ben ik niet zozeer bang voor hém, maar wel voor wat ik voel als ik in zijn nabijheid ben.

Na een kort aarzelen, doorbreekt hij de stilte. ‘Is er nog iets waarbij ik kan helpen? Ik heb een beetje rondgelopen en het lijkt erop dat je hier je handen vol hebt.’

Opgelucht dat hij van onderwerp verandert, schud ik mijn hoofd met een glimlach. ‘Dank je, ik heb alles onder controle. Maar ik was van plan straks naar de markt in het dorp te gaan om wat van mijn kazen te verkopen. Je kunt mee als je wil?’

Zijn blik licht op. ‘Klinkt interessant. Ik kan wel een beetje afleiding gebruiken.’

Ik voel een aangename opwinding bij dat idee. ‘Leuk! Dat zou ik gezellig vinden. De markt is altijd een levendige plek.’

Hij wijst vragend naar de koelkast, en ik realiseer me dat hij waarschijnlijk honger heeft. Ik knik bevestigend en verleen hem op die manier toestemming om iets te eten te pakken.

Met een zachte zwaai opent hij de koelkast en neemt de inhoud in zich op. Na enkele ogenblikken trekt hij zijn hoofd weer terug en kijkt me met een frons aan. ‘Is het wel veilig, zo’n markt? Ik bedoel … je lijkt je hier te verbergen … toch?’

Ik kijk hem even recht in de ogen, verrast door zijn scherpe waarneming. ‘Ach, ja …’ ik probeer nonchalant te klinken ‘…  ik hou er gewoon van om af en toe even weg te zijn.’

Hij lijkt niet helemaal overtuigd door mijn antwoord en doet de koelkastdeur weer dicht.

‘Ben je er zeker van dat het verstandig is om naar de markt te gaan? Ik bedoel, als je ergens voor wegrent …’

Een lichte frons verschijnt op mijn voorhoofd en ik onderdruk een zucht. ‘Maak je geen zorgen,’ zeg ik, een zweem van irritatie in mijn stem.

‘Het kan geen kwaad,’ voeg ik toe terwijl ik bedenk dat ze me alleen kunnen vinden als ik een digitaal spoor achterlaat. Zoals bijvoorveeld laatst in het ziekenhuis. Ik kan niet anders dan me nog steeds blijven afvragen waarom er toen niets gebeurd is. Zouden ze me niet meer aan het zoeken zijn?

Hij lijkt even verrast door mijn korte reactie, maar er verschijnt een mysterieuze glimlach op zijn gezicht. ‘Jij geheimen, ik geheimen,’ mompelt hij zachtjes.

Een moment lang kijken we elkaar aan, een stil begrip tussen ons. Misschien zijn we allebei op de vlucht, om onze eigen redenen.

Ik besluit de stilte te doorbreken, nieuwsgierig naar zijn situatie. ‘Wat gebeurt er als je mensen hier komen terwijl we weg zijn?’

Hij denkt even na en antwoordt dan, zijn stem bedachtzaam. ‘Als ik hier niet ben, zullen ze hier niet komen. Ze hebben hun manieren om te weten waar ik ben.’

Ik frons. ‘Hoe kunnen ze weten waar je bent?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Geloof me, als ze me willen vinden, kunnen ze dat.’

Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Maar als dat zo is, waarom zijn ze er dan nog niet?’

Een schaduw van iets onuitspreekbaars flitst door zijn ogen. ‘Ze zullen hun redenen hebben, geloof me. Misschien wachten ze op het juiste moment. Of misschien hebben ze andere zorgen op dit moment.’

Ik knik langzaam, de mysteriën rondom hem lijken steeds dieper te worden. ‘Dat begrijp ik wel, denk ik.’

Terwijl de geur van de kaas tussen ons hangt, lijkt het alsof we beiden gevangen zijn in een web van geheimen en onzekerheden. Wat er ook achter zijn verhaal schuilt, ik ben vastbesloten om meer te ontdekken over de man die naast me staat.

****

Samen rijden we naar de markt. Ik leun achterover in de stoel terwijl hij behendig het stuur vastgrijpt en de auto soepel door het landschap manoeuvreert. Eerder heeft hij me geholpen met het inladen van alle spullen, en zonder enige aarzeling is hij gewoon achter het stuur gaan zitten nadat hij galant de passagiersdeur voor me openhield. Er was geen vraag om toestemming, alleen een vastberadenheid die zei: ‘Ik ben een man, en een man zit achter het stuur.’

Patrick zit op de oprit en kijkt naar ons terwijl we wegrijden. Eenmaal onderweg maak ik wat luchtige grapjes. ‘Zeg eens eerlijk, voel je je wel veilig met jou achter het stuur? Ik bedoel, ik heb gehoord dat je niet zo’n geweldige bestuurder bent.’

Hij werpt me een zijdelingse blik toe, zijn mondhoeken krullen lichtjes omhoog. ‘Oh, maak je geen zorgen. Vliegen en autorijden zijn twee heel verschillende dingen. Ik beloof je dat ik ons heelhuids op de markt zal krijgen.’

Nieuwsgierigheid prikkelt me en ik kan het niet laten om verder te vragen. ‘Maar serieus, hoe kun je eigenlijk vliegen? Dat is niet echt een alledaagse vaardigheid.’

Hij haalt nonchalant zijn schouders op terwijl hij de weg blijft volgen. ‘Ik kan zo ongeveer elk voertuig besturen dat er bestaat.’

Mijn wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Alles? Serieus?’

Een ondeugende glinstering verschijnt in zijn ogen terwijl hij een mysterieuze grijns laat zien en zijn mooie wenkbrauwen speels een paar keer omhoog en omlaag beweegt . ‘Ja, alles. Maar laten we het daar voor nu bij laten.’

Terwijl we verder rijden, blijft de lucht licht en speels tussen ons. Zijn antwoorden roepen meer vragen op dan ze beantwoorden, en ik kan niet anders dan me afvragen wie deze man werkelijk is. Zijn vreemde mix van zelfverzekerdheid, mysterie en charmante onvoorspelbaarheid houdt me nieuwsgierig en in zijn ban.

Mijn blik dwaalt even af naar zijn handen, stevig om het stuur geklemd. Ze zijn groot, bijna kunstzinnig gevormd, en ik kan me niet onttrekken aan de gedachte hoe ze zouden voelen als ze zacht over mijn huid zouden strijken. Een ondeugende glimlach speelt om mijn lippen terwijl ik in mijn gedachten afdwaal, verzonken in een kleine fantasie die net zo ongrijpbaar lijkt als de man zelf.

‘Niet aan denken …’ fluistert de man plotseling in een diepe, dreigende en ontzettende sexy stem. Het is bijna alsof hij mijn gedachten kan lezen.

‘Wat?’ Mijn ogen schieten naar hem toe, verrast door zijn opmerking.

‘Niet aan denken, als je niet wilt dat ik hier de auto stop en je mee de bosjes in sleep, om daar uit te voeren wat ik zo graag zou willen …’

Mijn mond valt open van verbazing. Wat. De. Hel? Kan deze man werkelijk mijn gedachten lezen? Hij zal het vast aan mijn gezicht aflezen. Mickey zei vroeger altijd al dat ik een van de meest doorzichtige gezichten heb die hij ooit heeft gezien. Ik kan niets geheim houden, mijn gezicht schreeuwt harder dan een lead zanger in een rockband.

Deze man vindt mij dus aantrekkelijk? Waarom word ik daar toch zo blij van? Ik ben net een klein kind die een pony voor haar verjaardag krijgt. Ik druk mijn benen tegen elkaar aan, kijk voor me uit en probeer wanhopig mijn wilde gedachten te herpakken.

****

Eenmaal aangekomen zweeft zijn “niet aan denken” opmerking nog rond in mijn hoofd terwijl we samenwerken om de stand aan de voorkant van de wagen op te bouwen. Terwijl ik de tafel een rustieke uitstraling geef met een ouderwets tafelkleed vol bloemetjes, stapelt hij de schattige mandjes vol kaas en voorziet elk ervan met een bordje waarop de kaassoort, de naam van de geit en de prijs staan vermeld. Ergens in het proces raken onze handen elkaar per ongeluk aan en ik voel een rare elektriciteit door me heen gaan. Hij kijkt niet verbaasd of zo. Het is waarschijnlijk mijn overactieve fantasie weer. Of de droge lucht. Ondertussen zijn de andere stands ook druk bezig met hun eigen voorbereidingen.

Zodra alles klaar is, gaat de man die zichzelf Alles noemt (overigens geloof ik nog steeds niet dat dat zijn echte naam is) met wijde benen op de motorkap van de wagen zitten met zijn grote voeten op de voorbumper en bekijkt het tafereel alsof hij een koning is die zijn onderdanen overziet. Deze sexy vreemdeling heeft een rare soort natuurlijke autoriteit over zich heen. Het is alsof hij het gewend is met zijn vingers te knipperen en dat dan meteen gebeurt wat hij wil dat gebeurt. Hij is erg intelligent en bovendien opmerkzaam. Hij heeft een bepaalde autoriteit en ik zou er niet van staan te kijken als hij in het echte leven heel veel macht en invloed heeft. Hij gedraagt zich alsof veel verantwoordelijkheid op zijn schouders draagt. Dat zou in ieder geval wel verklaren waarom hij altijd zo serieus lijkt en een beetje ongeduldig is. Zou dat de reden zijn dat hij zei dat hij nu een soort vakantie heeft? Omdat hij even verlost is van zijn normale taken en plichten? Wie is hij toch?

Toch lijkt het erop dat ik hem wel amuseer of zo. Al zou ik niet weten hoe dat kan.  Ik ben niet bepaald een grappenmaker. Maar er heerst een gemoedelijke sfeer tussen ons die af en toe een beetje omslaat naar ongemak, maar het idee dat hij mij wel vermakelijk vindt, en blijkbaar ook aantrekkelijk genoeg om mij “mee de bosjes in te slepen om daar uit te voeren wat hij zo graag zou willen …” dat vult me met een raar verwachtingsvol gevoel.

Met een speelse glimlach reik ik hem de krant van vorige week aan, die nog in de deur van de wagen lag. ‘Hier, lees de krant maar als je je verveelt.’

Hij neemt de krant aan en bladert erdoorheen terwijl zijn ogen over de pagina’s glijden. ‘O? Ben jij into die propaganda?’

‘Propaganda?’ Ik lach zachtjes. ‘Het is waar wat er in de krant staat, hoor,’ zeg ik nep beledigd.

Hij knikt langzaam en kijkt serieus. ‘Ja, dat weet ik natuurlijk.’

Ik aarzel even, nadenkend over mijn woorden. ‘Ik denk … dat er vaak een reden is voor wat er in de media wordt gezegd. Maar dat het niet altijd noodzakelijkerwijs waar hoeft te zijn. De waarheid is soms niet zo belangrijk als dat wat ze willen dat we geloven. Ik ben geïnteresseerd in dat spel van perceptie. En daarom koop ik elke keer als ik in het dorp ben een krant. Ik wil weten wat ze ons willen laten denken.’

Zijn ogen blijven op mij gericht terwijl ik spreek, alsof hij mijn woorden grondig overweegt. De lucht om ons heen lijkt even op te lichten met een zekere elektriciteit, alsof er iets onuitgesproken tussen ons hangt. De markt omringt ons met bedrijvigheid en geluiden, maar op dat moment lijkt het alsof we even los zijn van de wereld om ons heen, verzonken in ons eigen kleine moment van verbondenheid.

****

Ik ren naar de dichtstbijzijnde openbare toiletgebouw. Mijn hart klopt bijna uit mijn borstkas, maar ik wil niet dat iemand me ziet huilen. Ik vind een leeg hok, doe de wc deksel omlaag en ga erop zitten, proberend mijn ademhaling weer onder controle te krijgen. Gelukkig had Alles niets door van mijn paniekaanval, zijn gedachten te diep in de krant verzonken.

Terwijl ik daar zit, flitsen de frustrerende gebeurtenissen van zojuist door mijn gedachten. Aan hoe die ene vrouw, de leider van de arrogante groep, die met de parelketting en het mantelpakje, wilde betalen met haar pinpas. Toen ik haar uitlegde dat we geen pinapparaat hadden (ik legde natuurlijk niet uit dat de reden daarvan te maken had met mijn digitale traceerbaarheid), kon ik de geïrriteerde trek om haar mond en de opgetrokken wenkbrauw nauwelijks negeren. Het werd er niet beter op toen ik haar vertelde dat we alleen contant geld konden accepteren. Vervolgens wilde de vrouw met een briefje van honderd betalen. Toen ik haar vertelde dat ik het grote bedrag niet kon wisselen, trok er een nog belediger uitdrukking over haar gezicht, gevolgd door een smalend gelach van haar metgezellen, als een groep hyena’s die samen lachen om een gemene grap.

Angie, laat je niet van de wijs brengen door wat die vervelende vrouwen zeggen. Misschien hebben ze gewoon een rotdag en proberen ze hun frustraties op jou af te reageren. Ga niet met hen in discussie. Blijf boven hun niveau staan, raadt mijn lieve Mickey me aan.

Terwijl ik mezelf probeer te kalmeren, hoor ik de deur van het gebouwtje openzwaaien en een stel vrouwenstemmen die naderen. Het zijn die tuthola’s weer! Mijn maag draait zich om bij het horen van hun lage, neerbuigende opmerkingen.

De ene vraagt: ‘Zag je hoe ze eruitzag? Met die tuinbroek en de make-up loze ramp wat haar gezicht was?’ Een andere vrouw zegt: ‘ Ze zou zich moeten schamen om zichzelf zo te vertonen aan zo’n knappe man. Vraag je je niet af wat hij in haar ziet? Hij is duidelijk veel te hoog gegrepen voor haar.’

De vernederende woorden snijden door me heen als een mes, en ik voel een mix van woede en schaamte. Zie ik er echt zo belachelijk uit? Ik dacht dat ik er schattig uitzag in mijn tuinbroek … en mijn gezicht … ik heb nooit make up op. Mickey zei altijd dat ik dan op mijn mooist was …

Mijn handen trillen lichtjes terwijl ik luister naar hun gemene geklets. Na een paar andere stomme opmerkingen, kan ik het niet langer verdragen. Ik sta op en storm met bonzend hart zo snel ik kan het hok uit, schiet langs de tutholas en vlieg het gebouw uit.

Als ik mijn stand bereik, zie ik tot mijn opluchting dat Alles er nog steeds zit. De man is een baken van rust en kracht en zit nog steeds niets wetend de krant het lezen. Ik ren bijna in zijn armen, mijn stem trillend terwijl ik hem vertel over de vernederende opmerkingen van de tutholas. Hij laat de krant vallen en grijpt me aan mijn onderarmen terwijl ik mijn verhaal doe. Ik weet niet waarom ik dat doe. Wat verwacht ik eigenlijk van hem? Dat hij me redt van de drie gemene heksen? Maar mijn woorden stromen eruit als een stortvloed, totaal ontdaan door de hele situatie.

Wanneer hij beseft dat er iets niets goeds gebeurd is, verschijnt er een blik van bezorgdheid in zijn ogen.

‘Wat?’ Vraagt hij me onbegrijpend. Natuurlijk begrijpt hij er niets van. Ik sta hier als een bezetene te gillen, waarschijnlijk ratel ik als een idioot door.

Maar ik heb geen tijd om alles rustig uit te leggen. Ik moet weg hier. Ik sta zo voor schut! Mijn paniek neemt toe en ik begin als een bezetene alle spullen in te pakken, mijn handen trillend en mijn ogen half gevuld met tranen. Ik wil gewoon weg, weg van die vernederende plek en die hatelijke vrouwen.

Hij grijpt mijn armen stevig vast en dwingt me tot een halt. ‘Wacht even,’ zegt hij, zijn stem klinkt bezorgd maar vastberaden. ‘Rustig aan, Angie. Vertel me wat er aan de hand is.’

Ik snik, mijn stem trilt als ik probeer uit te leggen. ‘Die vrouwen, ze … ze hebben me vernederd, me belachelijk gemaakt. En ik kan er gewoon niet meer tegen. Ik heb het zwaar genoeg. Te zwaar om me hier door een stel … een stel tutholas belachelijk te worden gemaakt!’

Hij herhaalt onbegrijpend: ‘Tutholas?’ Ik knik een paar keer en slik. Pas achteraf zal ik bedenken dat hij waarschijnlijk geen idee heeft wat een tuthola is.

Hij knijpt zachtjes in mijn armen en kijkt me recht in de ogen. ‘Luister naar me, je bent hier veilig.’

Ik besef dat ik wel gek lijk en haal een paar keer adem. Ondertussen is een groep mensen om onze stand gaan staan die het hele drama bekijkt alsof ze er popcorn bij zouden kunnen gebruiken. Met een diepe zucht laat ik de spanning uit mijn lichaam vloeien en voel me geleidelijk aan meer in balans.

Hij blijft me bezorgd aankijken terwijl ik weer tot rust kom. Ik kijk om me heen en zie de betreffende dames daar ineens staan. Ze genieten duidelijk van mijn situatie. Wat een stelletje heksen! Wat heb ik ze ooit misdaan? Waarom zijn ze zo gemeen?

Zodra hij de vrouwen in het publiek opmerkt verandert er plotseling iets in zijn gezichtsuitdrukking. Zijn rechterwenkbrauw schiet omhoog en hij vangt deze met zijn duim en wijsvinger, alsof hij zich verbaast over hun aanwezigheid. Dan, op een bedachtzame en bedreven manier, trekt hij me langzaam naar zich toe, tot onze lichamen bijna tegen elkaar aan gedrukt worden. Een geur van toffee-ijs bereikt mijn neus en verwarrende sensaties overspoelen me. Zijn krachtige lichaam straalt een bedwelmende warmte uit. Hij manoeuvreert ons zo dat de vrouwen een goed zicht hebben en gebruikt vervolgens zijn hand om mijn kin op te tillen, zodat ik naar hem op moet kijken. Vanwege zijn lengte moet ik flink omhoog kijken om in zijn ogen te kijken.

Hij gromt zacht en geïrriteerd: ‘Als je het kunt bedenken, bestaat het.’

Huh?

Daar begrijp ik even niets van, maar dan … plotseling voel ik zijn lippen op de mijne, gevolgd door de warme en krachtige aanraking van zijn tong die mijn mond binnendringt. Zijn handen glijden naar mijn achterhoofd en verstrengelen zich in mijn haar, waardoor ik nog dichter tegen hem aan word getrokken. Mijn borsten worden tegen zijn gespierde buik geplet. De kus lijkt eindeloos te duren terwijl we elkaars lippen en tong verkennen, maar toch is het nog niet lang genoeg.

Terwijl we daar staan, te midden van de drukte op de markt, lijkt alles om ons heen te vervagen en voel ik me omringd door een gevoel van troost en liefde. Het maakt me niet uit dat anderen dit kunnen zien. De gemene opmerkingen van de vrouwen vervagen geleidelijk naar de achtergrond, en ik besef dat ik niet alleen hoef te vechten. Met zijn krachtige hand stevig op mijn rug, worden we bijna afgezonderd in onze eigen wereld.

Hoewel ik nauwelijks iets van hem weet, voelt deze man erg vertrouwd. Meestal voel ik me ongemakkelijk in zijn nabijheid, maar op dit moment … het is bijna alsof hij speciaal voor mij is gemaakt. Alsof zijn lippen perfect bij de mijne passen. Hij beheerst de kunst van zoenen tot in de perfectie, met zijn lippen, tanden en tong, en ik laat me gewillig meeslepen tot ik als boter in zijn armen smelt.

Hij laat me helaas al te snel los, werpt een boze blik op de vrouwen die ons met open mond gadeslaan en brengt dan gefrustreerd uit: ‘Zo. En de rest laat ik aan karma over. Maar wat haat ik tuthola’s zeg.’

2 reacties Voeg uw reactie toe

  1. Nelleke Op den Kamp's avatar Nelleke Op den Kamp schreef:

    Al weer het hele verhaal gelezen!
    Ik vind het heerlijk verslavend en kan niet wachten op hoofdstuk 6

    Like

  2. Marjan de Zwaan-Mol's avatar Marjan de Zwaan-Mol schreef:

    wat een heerlijk verhaal en snel naar hoofdstuk 6. Ben toch wel benieuwd wat hun achtergrond is.

    Like

Plaats een reactie