Monster
De hele dag is de mooie vreemdeling nergens te bekennen. Ik heb urenlang gewacht, maar hij is weg. Heb ik nou echt een volwassen man zodanig laten schrikken dat hij als een bange prooi weg is gerend? Of is hij eerder bang voor zichzelf en wat hij me aan zou kunnen doen?
‘Waar is hij, Patrick?’ We doorlopen voor de zoveelste keer het terrein rondom het huis en kijken in alle schuren, maar de man lijkt te zijn verdwenen. Er zou hem toch niets overkomen zijn? Misschien is hij wel in een van de berenvallen gaan staan … of hij is gevallen en ligt ergens te bloeden. Nog een paar uur en dan wordt het donker en dan wil je echt niet in je eentje en zonder bescherming rondlopen in de bergen.
‘Zou hij zijn gaan wandelen in het bos?’ Patrick blaft hard terug. Dat betekent ja.
‘Okay dan gaan we daar even kijken,’ Ik trek mijn laarzen aan, pak de hondenlijn en grijp het geweer dat altijd in een kast naast de deur staat.
Wil ik hem eigenlijk wel vinden? Het begint me duidelijk te worden dat er iets heel vreemds aan de hand is met mijn mysterieuze vreemdeling. En nog verontrustender is hoe ik reageer wanneer hij dichtbij is. Er is een vreemde aantrekkingskracht, maar het is een intens gevoel dat me ook angst aanjaagt. Het is een verwarrende angst, want mijn eerste instinct is om weg te rennen, zo ver mogelijk. Tegelijkertijd ben ik echter nieuwsgierig naar hoe het zou zijn om intiem met hem te zijn. Misschien is het de eenzaamheid die me drijft, omdat ik zo lang alleen ben geweest en al zo lang geen man meer heb aangeraakt, dat ik nu wanhopig verlang naar deze man.
Maar de belofte die hij lijkt uit te stralen, is zowel aantrekkelijk als angstaanjagend. Het heeft iets primitiefs. Ik fantaseer over de intensiteit ervan, hoe hij zich niet zou kunnen inhouden, me zou aanraken, kussen, bijten, en hoe ik genot zou vinden in de sensatie, de adrenaline en de sporen die zijn vurige handen op mijn huid zouden achterlaten. Ik stel me voor hoe hij zich zou uiten als een ongetemd wezen, hoe hij me zou nemen als een wild dier dat hij niet kan bedwingen. Dit gevoel is nieuw voor me, en de gedachte ervan is opwindend, waardoor mijn adrenaline stroomt als nooit tevoren.
Ben ik misschien een masochist? Of ben ik gewoon krankzinnig? Ja, dat is het. Ik ben krankzinnig, er is geen andere verklaring. Want ik verlang ernaar dat hij me behandelt als een prooi waarbij hij op je jaagt en me vangt, en het erge is nog wel dat ik me er niet voor schaam.
Ik vraag me af of we überhaupt naar hem moeten zoeken. Hij is niet voor niets weggegaan. Het is duidelijk dat hij met een soort innerlijke strijd kampt. En wat nog raarder is, is zijn bewering dat hij mijn tranen zou kunnen ruiken en mijn gedachten lijkt te kunnen lezen. Misschien moet ik gewoon uit zijn buurt blijven. Maar het idee dat hij me als een wild, ruig monster zou kunnen nemen, laat me niet los.
Eigenlijk zou ik me moeten schamen voor het verlangen naar een monster in de duisternis. Of het verlangen om zonder genade genomen te worden. Of het verlangen naar de belofte van verlichting die gepaard gaat met het aan de rand staan van iets werkelijk angstaanjagends. Maar dat doe ik niet. Ik schaam me niet.
Misschien komt het door het feit dat ik jarenlang op de vlucht ben geweest. Jarenlang heb ik gezocht naar veiligheid. En nu … nu ben ik zo verzadigd van al die veiligheid dat ik juist bewust het gevaar opzoek met een vreemdeling die misschien een seksmonster zou kunnen zijn en die me zo onveilig mogelijk laat voelen. Zo onveilig dat het prettig aanvoelt.
Uit mijn oom zijn kamer grijp ik het shirt dat de vreemdeling heeft gedragen en laat Patrick eraan snuffelen zodat hij de man op kan sporen. Mijn hond draait zich om en weet meteen waar hij heen moet. Ik volg met mijn geweer, kijk alert om ons heen en dan gaan we op zoek.
***
Het duurt niet lang voor Patrick enthousiast begint te blaffen en te draaien op zijn plek. Hij loopt voor me uit en stopt af en toe zodat ik hem bij kan benen. Wanneer we de struiken uit zijn, komt ineens een grot in het zicht. Een grot die ik goed ken. Ik ben er vaker langs gelopen, maar ben er nooit naar binnen gegaan, uit angst dat er een wild dier zou zitten.
Ik besluit dan ook niet meteen door te lopen, maar vanuit een afstand te roepen. Als er een beer uitkomt, dan heb ik tijd om ervandoor te gaan.
‘Alles! Ben je daar? Kom eruit. Het wordt al donker. We gaan naar huis!’ Het voelt heel onnatuurlijk om de man bij zijn voornaam te noemen. Alles. Ik heb genoeg andere namen voor hem, maar ja, ik denk niet dat hij die leuk vindt. Al lijkt Knapperling hem wel te bevallen … ik hoor Patrick die voor me uit blaft, maar geen piep van de man zelf.
Na een paar momenten blijkt er geen reactie te gaan komen en wend ik me tot mijn slimme jachthond: ‘En Pat? Weet je zeker dat hij daar zit? Is het veilig denk je?’
‘Waf, waf, waf!’ Mijn hond draait rondjes op zijn plek, met zijn staart flink omhoog. Dat geeft me moed. En dus lopen we voorzichtig en tegelijkertijd alert richting de ingang van de grot. Als we die bereiken, merk ik dat het daar wel erg donker is. Had ik mijn zaklamp maar meegenomen …
De ingang van de grot in het bos is een donkere spleet in de aarde, omringd door dichte begroeiing. Zonder een zaklamp is het vrijwel onmogelijk om iets te onderscheiden in de duisternis van de grot. De schaduwen verbergen de ingang en de gangen binnenin volledig, waardoor je jezelf volledig geïsoleerd en verloren voelt. Alles is ruw en steenachtig, en je moet tasten om je weg te vinden. Zonder verlichting lijkt de grot als een mysterieuze, ontoegankelijke wereld.
Ik sta op het punt om weer te roepen, maar dan ineens, vanuit ergens dieper in de grot hoor ik mijn vreemdeling zijn krakende stem door de ruimte galmen: ‘Je wil me niet in je huis.’
Het opluchtingsgevoel dat me overvalt, valt weg bij zijn rare zin. Ik wil hem niet in mijn huis?
‘O nee? Wat weet jij goed wat ik wil zeg! Vertel eens, wat wil ik nog meer? En kom tevoorschijn zodat ik je kan zien. Is alles goed met je?’ Maar hij komt niet tevoorschijn. Ik hoor geschuifel ergens rechts van me en kijk snel die kant op.
Patrick wil naar hem toe, maar ik hou hem tegen: ‘Blijf.’ Het beestje gehoorzaamt en gaat naast me zitten. Ik haal de hondenlijn uit mijn achterzak en maak hem vast aan zijn kraag. Ik wil de controle over mijn hond nu niet verliezen.
‘Je hebt het zelf gezegd, je wil dat ik opgehaald word, je kunt niet wachten tot ze me ophalen. Dus is het beter als ik voortaan gewoon hier blijf,’ zegt de man vanuit de duisternis in een zachte stem.
‘Ach, kom op nou. Dat heb ik gezegd inderdaad, maar je was erg irritant en mijn temperament speelde parten. Neem het nou niet zo persoonlijk op. Je kunt toch niet hier blijven? Het wordt hier koud straks hoor …’
Ik hoor opnieuw wat geschuifel en focus mijn blik op de bron van het geluid. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en dan … dan zie ik een figuur ineengekrompen zitten, zijn knieën stevig vasthoudend tegen een rotswand. Het wit van zijn tanden duidelijk zichtbaar als hij praat, evenals het wit van zijn ogen wanneer hij knippert
‘Kom op nou. Je kunt hier echt niet blijven. Het is niet veilig. Wees toch niet zo gevoelig en kom mee naar huis.’
‘Dat wil je echt niet. Geloof me,’ zijn toon is wanhopig, bijna smekend. ‘Wat jammer dat je mij hebt gevonden. Ik wil dat je me opsluit ergens. Dat je me vastmaakt en dat je me niet eruit laat, maakt niet uit wat ik zeg of doe.’
‘Wat?’ Ik begrijp weer eens niets van deze man en ga door: ‘Luister … ik begrijp dat er allerlei rare dingen gebeuren nu met je. Met ons. En ik weet ook niet wat het precies is, maar …’
‘Maar wat?’ zijn stem galmt en klinkt onrustig. Bijna hoopvol.
Ik zucht diep en geef dan eerlijk toe: ‘Ik wil dit verkennen. Dit gevoel. Deze kracht tussen ons. Ik ben er niet bang voor. Ik wil het begrijpen,’ en ik zet aarzelend een stap in zijn richting. Als een verschrikt dier zie ik hoe een ineengekrompen schaduw probeert achteruit te schuiven, maar met de rotswand achter hem heeft hij niet veel ruimte om te bewegen.
‘Wees voorzichtig met wat je wenst. Dit beest is niet getemd. Het is wild. Gevaarlijk. Het bijt verdomme. ‘ Ik herinner me zijn tanden op me. Hoe hij in mijn nek beet. Het gekietel van zijn ongeschoren baard. Zijn adem. Hoe graag ik hem wilde.
Ik schud mezelf uit die gedachten en zeg: ‘Misschien wil je me wel helemaal niet. Misschien vind je me alleen leuk omdat ik nee heb gezegd. Misschien ben jij de soort man dat van een uitdaging houdt. Misschien is mijn aantrekkingskracht voor jou alleen dat ik…’
‘Jouw aantrekkingskracht is dat jij jezelf bent,’ onderbreekt hij mij, zijn stem ineens een soort fluwelen handschoen die over mijn huid strijkt.
‘Je bent moedig, slim en stoer, maar ook vriendelijk, grappig, en prachtig mooi …’ hij zucht half lachend en vervolgt, ‘… god, je bent gewoon een genot om naar te kijken, en je doet dat zonder dat je je er bewust van bent.’
Ik hap naar adem terwijl hij verdergaat: ‘Ik waardeer het dat je lijkt alsof je belangrijkere dingen te doen hebt dan je druk te maken over hoe je je kleedt of gedraagt, met je tuinbroek en je mooie, natuurlijke make-up. Je bent gevoelig en raakt diep geraakt wanneer iemand gemeen tegen je is, omdat je niet begrijpt waarom iemand zomaar een ander mens pijn zou willen doen. Je kunt het je gewoon niet voorstellen …’
Wauw! Ik had geen idee dat hij zo over mij dacht. Hij was altijd zo kortaf en arrogant. Dit is zo verrassend voor me dat ik bijna moeite heb om het te geloven, maar hij gaat door: ‘… en je doet nooit alsof je iemand anders bent dan wie je bent om indruk te maken op een man, op mij. Je bent gewoon helemaal jezelf. Je leeft volgens je eigen regels, vertrouwt op je eigen instincten, en je weigert jezelf te verkleinen om ergens bij te horen. Dat doen veel mensen niet. Je bent gewoon … vrij. Het is verfrissend. Je doet me voelen, en ik heb me nog nooit zo gevoeld. Er is iets dat je naar me toe trekt, iets bijna dierlijks, primitiefs …’
Het doet me zoveel om hem op deze manier over me te horen spreken. Het is onbeschrijfelijk. Mijn hart zit nu zo vol dat het lijkt te exploderen. Daarom onderbreek ik hem en zeg: ‘Ik wil alles. Ik wil dat je jouw innerlijke beest loslaat en dat het me gebruikt zoals het wil. Ik wil dat het me bang maakt. Ik wil dat het me achtervolgt en opjaagt …’
En dan plotseling, snap ik mezelf. Ik weet waarom ik dit wil. Ik wil me weer levend voelen. Ik ben al zo lang op de vlucht … mijn leven heeft stil gestaan. Heb ik eigenlijk wel geleefd?
Mijn hart bonst, mijn mond is droog. Ik voel me als een verslaafde die cold turkey gaat, wanhopig op zoek naar een fix. Dit is waanzin. Gevaarlijk. Het glipt al uit mijn handen, maar ik wil het niet eens stoppen. Ik kruis mijn benen, knijp mijn dijen tegen elkaar en voel mijn kloppende clitoris.
Plots staat hij op. Hij is zo lang dat zijn donkere verschijning indrukwekkend is. Zoals altijd moet ik mijn blik omhoog richten om in zijn prachtige, ietwat gekwelde gezicht te kijken terwijl hij uit de schaduwen tevoorschijn komt. Hij komt vanuit het donker in het licht en hoe is het mogelijk dat zijn gezicht nu mooier is dan ooit? Mijn hart begint opeens sneller te kloppen.
Met een donkere ernst en een waarschuwende toon zegt hij: ‘Denk er alsjeblieft goed over na. Als je enig verstand hebt, zul je van gedachten veranderen. Want dit monster … ik ken het niet. Ik weet niet waar het toe in staat is. Ik weet niet of ik het wel onder controle kan houden.’
Maar ik ben niet verstandig. Dat heb ik al geaccepteerd. Ik ben bereid om de roekeloze beslissingen en de onvoorspelbare weg te omarmen die voor me ligt. Ik hoop alleen dat hij hetzelfde kan doen. Mijn antwoord is simpel. Onontkoombaar.
‘Ik wil het. Ik weet het zeker.’
Hij zet een stap naar voren. Ik zie zijn neusgaten verwijderen en vraag me af of hij me ruikt.
‘Wat wil je precies?’ Vraagt hij met een doordringende blik en een plotseling geïnteresseerde, schuine glimlach.
Ik schud mijn hoofd heen en weer, terwijl ik worstel om een antwoord te formuleren.
‘Houd oogcontact,’ beveelt hij.
Wanneer ik gehoorzaam, merk ik dat zijn blik intenser is geworden, zijn heldere bruine ogen branden van verlangen. Een bonkend ritme pulseert tussen mijn benen, synchroon met elke hete golf van bloed die door mijn aderen stroomt.
Ik haal diep adem en beken: ‘Ik heb me nog nooit eerder zo tot een man aangetrokken gevoeld. Het gaat verder dan alleen lichamelijke aantrekkingskracht; alles aan jou trekt me aan en stoot me tegelijkertijd af. Je bent ongelooflijk aantrekkelijk. Misschien komt het doordat ik werkelijk niets van je weet. Maar wat ik wel weet, is dat ik jouw innerlijke kracht bewonder, jouw zelfverzekerdheid, jouw aura, jouw intelligente arrogantie, jouw intense blik. Het feit dat ik nooit weet wat er in jouw hoofd omgaat …’ Ik adem diep in en ga verder, ‘Ik wil begrijpen wat er tussen ons is. Het is me een raadsel, maar ik wil het ontrafelen. Wat het ook mag zijn. Want door dit te ontdekken, ontdek ik ook mezelf. Dit is een kant van mezelf die ik nog nooit eerder heb ervaren.’
‘Hoe dan ook, je zou eigenlijk ver uit mijn buurt moeten blijven, Engel. Ik weet niet waar ik toe in staat ben …,’ zegt hij terwijl zijn ogen onmogelijk feller laat branden.
Ik schud mijn hoofd en kijk hem verwachtingsvol aan. De energie tussen ons is als die van een stier die lang in een hok opgesloten heeft gezeten en weet dat de deur open zal worden getrokken.
‘Neem je het risico? Heb ik jouw toestemming?’ vraagt hij.
‘Ja,’ vliegt uit mijn mond. Onmiddellijk pakt hij Patrick van me over door bij mijn hand de lijn over te nemen en het voelt alsof het tussen ons knettert. Wanneer hij de hond goed vast heeft, zegt hij: ‘Ren.’
Een woord. Dat is alles wat hij zegt.
Hij neemt een stap naar voren en herhaalt het gebod: ‘Ren.’
En dat doe ik. Ik haal diep adem, draai me op en sprint over de grond, door het gras en de heide, een blaffende Patrick achterlatend. Ik klauter op handen en knieën een heuvel op en ga weer staan zodra ik boven ben. Achter me hoor nog steeds geblaf, maar mijn rationele geest is te zeer in de war om grip te houden. Ik ben overgeleverd aan endorfine, adrenaline en doodsangst. Het is beangstigender dan al het andere dat ik ooit heb meegemaakt. En dat komt omdat ik begin te twijfelen. Waar heb ik eigenlijk mee toegestemd? Wat gaat hij doen als hij me vangt? Gaat hij me soms vermoorden?
Hij gaat me hard te grazen nemen en me dan ergens gebruikt en misschien wel gewond achterlaten. Wedden? Ik heb zojuist toegestemd zijn prooi te zijn en hij is een of andere psychopaat met moordneigingen.
Mickey waar ben je dan? Je had me moeten vertellen wat ik moest doen. Je had me moeten zeggen dat ik stom bezig was en je had me moeten beschermen.
Na een paar honderd meter kan ik hem ineens horen achter me. Ik blijf rennen terwijl ik me voorstel hoe belachelijk ik eruit zal zien, naakt en hulpeloos op een heuveltop, mijn arme poesje helemaal gebruikt. Ik ren en ren tot ik struikel en val. Terwijl ik mezelf weer omhoog hijs, foeter ik mezelf uit tussen de tranen door. Ik weet maar al te goed dat ik langzaam alle grip op mijn eigen krankzinnige realiteit verlies. Ik huil en snik terwijl ik ren en denk dat ik nooit toe had moeten stemmen om mee te doen met dit spelletje waarvan ik niet eens weet wat het doel is of wat de spelregels zijn.
Ik huil terwijl mijn longen branden. Dit voelt behoorlijk zinloos aan. De gedachte dat hij nu op me jaagt, jaagt me tot op het bot angst aan. Blijkbaar ben ik niet als een teflon pan waar de angst gewoon vanaf glijdt. Ik ben gestoord dat ik dit doe. Ik kijk achterom en zie hem achter me aan rennen. Hij is al bijna bij me. Met zijn lange benen kan hij natuurlijk veel harder rennen dan ik. Misschien moet ik het opgeven. Misschien moet ik niet meer rennen. Ik krijg geen lucht en een paar velden verder ben ik een huilend hoopje op de grond. Eenmaal op de grond kruip ik verder en hoor achter me het gestamp van zijn laarzen op de grond. Sterk. Standvastig. Dreigend. Het is eigenlijk te gek voor woorden.
‘Zijn we klaar?’ vraagt hij, en ik schud mijn hoofd. Ik blijf ploeteren, zoekend naar grip om weer op te staan. Maar mijn ledematen zijn ijskoud en beurs. Het doet te veel pijn om door te gaan. Er zit geen lucht meer in mijn longen. Ik zak door mijn knieën en voel me belachelijk terwijl ik ineens voel hoe hij zijn laars op mijn rug laat rusten. Vernederd terwijl hij me in de koude modder drukt.
‘Zijn we klaar?’ vraagt hij opnieuw, en ik knik. Ik ben klaar. Hij haalt zijn laars van me af en ik draai me om en lig op mijn rug, proberend lucht in mijn longen te krijgen. Ik ben een puinhoop. Een totaal geschifte puinhoop met in de war geraakte zenuwen en een bonzend hart. Die een hekel heeft aan hoe graag ze dit wil. Die houdt van hoe graag ze dit wil. Hem. Ik kan niet geloven hoe belachelijk hard ik heb gerend. Hoe ver ik ben gekomen.
‘Hoe kan het dat ik je nu hier heb?’ Zijn vraag is verwarrend, en ik ben te druk bezig met wanhopig naar lucht happen in mijn longen.
‘Je hebt gewonnen. Je hebt me,’ stamel ik, terwijl ik naar adem hap.
‘Wat een teleurstelling …’ zegt hij, zonder te hijgen, alsof hij net een korte wandeling heeft gemaakt in plaats van kilometers heeft gerend.
‘Wat?’ Ik ben een teleurstelling? Wie denkt deze man wel niet dat hij is? Ik probeer op te staan, maar hij torent boven me uit en beweegt zijn laars dreigend voor me, alsof hij die weer op me wil drukken, dus blijf ik liggen.
‘Jij kent dit gebied veel beter dan ik. Je had je overal kunnen verstoppen. Je had de ondiepe beek kunnen oversteken iets verderop, en dan had ik je nooit meer kunnen ruiken of vinden. In plaats daarvan heb jij je angst de vrije loop gelaten. Dat kan je nog eens je leven kosten, Angie. Maar gelukkig wil ik je leven niet … misschien wil ik iets heel anders. En ik ga het nemen ook …’ Zijn stem klinkt bijna euforisch. Het is alsof hij zich de hele tijd heeft ingehouden, alsof het moeite kost om me deze preek te geven. Mijn hersenen begrijpen weer eens helemaal niets van deze man. Maar mijn lichaam … mijn lichaam begrijpt het wel. Hij heeft me gevangen.
En hij gaat nu alles met me doen wat hij wil.

Één reactie Voeg uw reactie toe