Terug
Gapend kijk naar de klok die op de gang hangt. Het is acht over zeven in de ochtend. Ik word net wakker en zoals tegenwoordig vaak het geval is, lig ik alleen in mijn bed met een heerlijk pijnlijk gevoel tussen mijn benen en een aantal nieuwe blauwe plekken op mijn armen en buik. De plek op mijn schouder begint al te genezen, maar ziet er nog steeds dreigend pijnlijk uit. Schuifelend en half slapend vind ik mijn weg naar mijn oom zijn oude slaapkamer die nu de kamer van Alles is. Maar de Knapperling ligt er niet.
Patrick duwt zijn koude neus tegen mijn been aan en ik aai over zijn bolletje: ‘Hey jongen … lekker geslapen? Enig idee waar onze Knapperling zou kunnen zijn?’ Zijn bed zag er wel uit alsof hij erin had gelegen, dus ga ik in het huis op zoek. Eenmaal in de keuken aangekomen, vind ik daar een wit, dubbelgevouwen papiertje op het aanrecht. Ik krab slaperig op mijn hoofd en gaap uitgebreid terwijl ik het oppak.
Met krachtige hoofdletters staat daar ‘Mijn Engel’.
Mijn hart begint sneller te kloppen, realiserend wat dit zou kunnen betekenen. Is hij dan eindelijk opgehaald?
Mijn vermoeden wordt meteen bevestigd wanneer ik het openvouw en de eerste zinnen lees:
‘Lieverd. Dit is mijn afscheidsbrief. En ja, het laf is om niet persoonlijk afscheid van je te nemen en het op deze manier te doen …’
Het voelt als een hap nemen van een hete chilipeper. Ik voel eerst niets, en dan langzaamaan begint het te branden, tot de hitte niet meer uit te houden valt. Het verandert in een zware steen die plotseling in mijn maag valt vergelijkbaar met een baksteen die in een vijver wordt gegooid, waardoor mijn hele buik samentrekt. Het is een overweldigend gevoel. Ik ga zitten op een van de keukenstoelen en lees met trillende handen verder:
‘Het moment is nu aangebroken dat we onze eigen wegen moeten gaan. Ik wil je hartelijk bedanken voor alles wat je voor me hebt gedaan. Mijn tijd hier bij jou was als een ware droom. Een droom die te goed is om waar te zijn.
Mijn leven gaat nu verder waar het gebleven was, maar ik wou dat onze omstandigheden anders waren en ik je met me kon meenemen. Het idee dat je hier alleen achterblijft, bevalt me helemaal niet, ook al word je nog zo goed beschermd door je trouwe Patrick. Maar het idee om je met me mee te nemen … dat lijkt me nog moeilijker.’
Ik haal mijn neus op en veeg de tranen ruw van mijn gezicht. Wat? Lijkt het idee om me mee te nemen hem nog moeilijker? Ik lees snel verder.
‘Van jou heb ik geleerd wat het werkelijk betekent om mens te zijn. Voorheen had ik een lage dunk van mensen; ik vond ze dom, egoïstisch, en bekrompen. Dat was makkelijk te geloven, maar ik had het mis. Er zijn goede mensen, en jij bent daar een van. Jij … jij bent anders. Je hebt me een nieuwe kijk op de wereld gegeven, en ik hoop dat je beseft hoe kostbaar dat is. Snap je wel wat een cadeau dat voor mij is? Met deze nieuwe wijsheid wil ik ontdekken wat ik voor de wereld kan betekenen. Ik weet nog niet precies hoe, maar deze ervaring met jou hier in de bergen is het beste wat me ooit is overkomen. Deze kennis zal mij helpen, en daarmee ook de wereld. Hoe? Dat merken we snel genoeg.’
Terwijl ik zijn woorden lees, voel ik me als een ballon die net is lek geprikt – verward en afgedankt. Hoe zou ik me anders moeten voelen? Het lijkt allemaal zo cryptisch en emotieloos geschreven. Alsof hij zegt: “het was leuk, bedankt hè?” Hij klinkt als de arrogante eikel die hij was toen hij hier net aankwam, niet als de gepassioneerde man van de afgelopen dagen.
En blijkbaar had hij altijd een negatieve kijk op mensen, en nu realiseert hij zich dat hij het mis had? En dat komt door mij? Ik snap er helemaal niets van, want dat zou betekenen dat hij nauwelijks contact heeft met mensen. Leeft hij soms afgezonderd op een eiland met alleen zijn directe familie? Of zoals hij altijd zegt: “zijn mensen?” Iedereen weet toch dat mensen soms behoorlijk irritant kunnen zijn, maar dat er ook heel veel mooie dingen aan de mensheid zijn? Er is net zoveel moois als lelijks op deze wereld. Het is een balans, een soort dans tussen licht en donker.
Hij zegt dat hij uitkijkt naar wat hij met deze nieuwe wijsheid kan doen, maar ik begrijp niet precies wat hij bedoelt. Zijn boodschap voelt zo vaag en abstract, alsof hij me een mysterieus raadsel geeft zonder oplossing. Misschien zou ik me gevleid moeten voelen omdat hij zegt dat ik de oorzaak ben van deze verandering in zijn denken, maar eerlijk gezegd voel ik me vooral in het ongewisse gelaten. Wat betekent dit allemaal?
Nu besef ik pas hoe weinig ik eigenlijk over deze man weet. Er zijn zoveel vragen die ik wil stellen … maar die ik niet meer kan stellen. Omdat hij weg is. Ik wist dat dit moment ooit zou komen, maar ergens diep vanbinnen hoopte ik dat het anders zou aflopen. Hoe anders? Dat weet ik eigenlijk niet precies. Wat wilde ik nou echt? Wat voelde ik eigenlijk voor deze man? Was het liefde? Of eerder bewondering? Of was het gewoon de eenzaamheid die me naar hem toe trok als een mot naar het licht?
‘Je zult altijd in mijn gedachten blijven, met diepe genegenheid en bewondering. Ik hoop oprecht dat deze ervaring ook voor jou een bron van groei is geweest en dat het je zonder vertraging brengt naar waar je hoort te zijn.
Met warme wensen,
Jouw Alles’
Natuurlijk eindigt hij de brief op zijn gebruikelijke arrogante toon met “Jouw Alles.” Alsof hij voor mij iets betekent! Hij is helemaal niets! Mijn woede borrelt op, ik knijp de stomme brief tot een propje en gooi hem woest weg. Hij belandt aan de andere kant van de keuken. En natuurlijk denkt Patrick dat het een spelletje is, dus hij haalt de brief op en brengt hem naar me terug.
****
Twee weken later
‘Doe toch niet zo zielig,’ mopper ik tegen mezelf terwijl ik de pompoen inspecteer die trots uit een van de planten in mijn moestuin groeit. Het lijkt erop dat ik net op tijd ben, want de slakken hebben er nog geen feestje van gemaakt. Of misschien hebben de munt, tijm en salie die ik rondom de pompoenplant heb geplant, hun werk gedaan en de slakken weggepest.
‘Morgen is alles weer goed. Heb gewoon een beetje geduld met jezelf. Je bent nu verdrietig, maar dat is alleen omdat je moet wennen aan de nieuwe situatie. Omarm dit moment, want het heeft zo moeten zijn.’ Met mijn pols veeg ik de tranen uit mijn ogen, anders zie ik niks meer. De grond voelt fris aan onder mijn knieën terwijl ik in mijn moestuin bezig ben. Mijn ziel voelt ook een beetje koud aan.
Ik haal mijn neus op en ga door met mijn bemoedigende peptalk: ‘Denk aan al die mensen die zichzelf ophangen omdat ze depressief zijn … de volgende dag voelen ze zich beter en dan hebben ze zichzelf voor niets opgehangen!’
Ik weet ergens wel dat wat ik zeg nergens op slaat, maar wat kan het mij schelen? Er is hier toch niemand om me te verbeteren of om überhaupt te luisteren!
In mijn hoofd worden alle dingen die de Knapperling in de afgelopen weken gezegd en gedaan heeft als ware een film afgespeeld.
‘Waarom vloog je dan?’ ‘Omdat het het risico waard was’.
‘Ik heb liever dat je me Knapperling noemt.’
‘Dus je bent bang voor de angst?’
‘Het leven is een golf van negatief en positief waarbij de negatieve juist de voeding is voor het positieve.’
‘Niet liegen.’
Alles, maar dan ook echt alles, wat de man die zichzelf “Alles” noemde de afgelopen weken tegen me heeft gezegd, spookt door mijn hoofd.
Ik probeer te achterhalen wat ik nou precies had moeten leren uit mijn ervaring met hem, maar ik heb geen flauw idee. Zoals gewoonlijk zal ik er nu niet uitkomen. Pas later, veel later, zal het kwartje vallen. Maar dat is voor later, en nu is nu.
Op dit moment speelt een van mijn favoriete liedjes, “Cold” van Leslie Odom Jr., zachtjes op de achtergrond. De woorden die gezongen worden, dringen door tot diep in mijn psyche, zoals alles nu lijkt door te dringen.
Het verdriet snijdt nogmaals door me heen: ‘Dus je houdt al je geheimen. Strak omhuld door jou … En je weet dat de veiligste plek. Hier naast mij is.’
De boodschap resoneert. Want ik voelde me inderdaad veilig bij de Knapperling, al was hij waarschijnlijk de laatste persoon op aarde waarbij ik me zo zou moeten voelen. Maar bij hem wist ik dat ik mijn veiligheid in mijn eigen hand had. Al zal ik nooit begrijpen waarom hij altijd zo opgewonden raakte en de controle verloor wanneer ik bang was. Het was een soort dierlijke reactie van hem. Een reactie die ik ergens ook uitlokte. De seks was passievol en ongetemd. Nog nooit had ik zoiets meegemaakt.
Ik haal diep adem en probeer mezelf helemaal in het moment te plaatsen. Ik hoor elke noot van het liedje, voel elk zacht briesje, en ruik elke geur om me heen. Ik probeer een gevoel van dankbaarheid op te roepen. Want ik ben gezond. Ik ben een ervaring rijker. Ik heb mijn mooie huis, mijn lieve hond, mijn verse zelfgekweekte groente en mijn schattige geitjes. Ik ben vanochtend wakker geworden, en een boel mensen hebben dat geluk niet. Dus ja, ik mag blij zijn, en ik moet blij zijn.
De pompoen is nog niet rijp, dus ik leg hem voorzichtig terug en schuif naar de volgende toe. Plotseling klinkt een zware, diepe, ietwat krakende mannelijke stem vanuit de ingang van de kas. Met een vrolijke toon verkondigt hij: ‘Vivaldi.’
Met een schok draai ik me om en daar staat hij, leunend tegen de deur alsof hij de ster is van zijn eigen film. De langste, grootste en knapste man ter wereld is terug, en hoe! Zijn armen gekruist voor zijn brede borstkas, die al net zo imposant is als een berg. Hoe kon ik nou zo snel vergeten hoe gigantisch hij eigenlijk is? Hij is echt een reus! En hoe kan het dat hij nog knapper is dan ik me herinnerde? Dat is gewoon niet eerlijk.
Hij staat daar, zo relaxed alsof hij in zijn eigen woonkamer is, met zijn armen nonchalant gekruist. Zijn zwarte overhemd past perfect bij die lichte spijkerbroek, die zo goed aansluit dat het lijkt alsof die speciaal voor hem gemaakt is. En hoewel hij zijn kenmerkende cowboylaarzen heeft verruild voor gympies, straalt hij nog steeds diezelfde onverschrokken charme uit. Het is alsof hij hier kind aan huis is en niets hem van zijn stuk kan brengen.
Shit! Snel veeg ik de tranen van mijn wangen af en vraag: ‘Wat?’
Deze man heeft me twee weken geleden midden in de nacht verlaten met niets meer dan een stom briefje als afscheid, en het eerste wat hij zegt als hij weer terug is, is “Vivaldi”? Hij moet wel op zijn achterhoofd gevallen zijn. Alweer. Het kan bijna niet anders. En gek genoeg voelt de vertrouwdheid van die gedachte beter dan een kop warme chocolademelk op een koude winterdag.
Er verschijnt een lichte glimlach op zijn mooie gezicht en als hij net al de mooiste man ter wereld was, is hij nu de mooiste man van het heelal. Hoe kan een mens zo mooi zijn? Het is belachelijk.
‘Ik heb uit goede bron dat Vivaldi heel goed is voor plantgroei,’ zegt hij, terwijl hij stopt met lachen, zijn armen ontvouwt en naar de geluidsinstallatie op het tafeltje bij de deur loopt. Plotseling wordt mijn hart wakker en begint onregelmatig te kloppen. Ik veeg de tranen weg die verschijnen, hoewel het eigenlijk niet veel zin heeft, want er stromen meteen nieuwe uit mijn ogen.
Het lijkt erop dat we de scène van weken geleden herbeleven. Hij staat nu precies zoals toen, dezelfde woorden herhalend. Dus ga ik verder en zeg ongeveer dezelfde woorden die ik toen tegen hem zei: ‘Nee, geen Vivaldi. Daar word ik depressief van, en mijn planten ook. Ik wil geen depressieve planten,’ zeg ik, en net als toen voel ik me nu ook dankbaar dat ik als een rationeel persoon klink en niet als de gillende kleuter die ik van binnen ben door zijn ongelooflijke aantrekkingskracht.
Ik weet niet wat ik moet doen of zeggen. Op de een of andere manier had ik nooit verwacht hem ooit weer te zien.
En al helemaal niet dat hij erbij zou lopen alsof hij nooit weg is geweest en dat de eerste zinnen die hij zou uiten precies dezelfde zouden zijn als toen. Ik wil niets liever dan overeind springen, naar hem toe rennen en hem om zijn nek vliegen, gewoon om te voelen dat hij echt is en niet een vreemd iets uit mijn verbeelding. Waarom staat hij daar? Waarom komt hij niet naar me toe?
‘Sommige mensen worden juist blij van Vivaldi,’ legt hij verder uit, zijn mond in een kleine glimlach. Zijn mooie bruine ogen zijn intens op de mijne gericht, alsof hij mijn ziel leest. Hij bestudeert me een paar seconden, zijn wenkbrauwen trekken bezorgd samen.
‘Nietes,’ zeg ik, klinkend als een kleuter met een driftbui. Zonder er echt bij na te denken, spring ik op en zet een paar stappen naar hem toe. Met dramatische flair gooi ik mijn armen om hem heen, bijna in zijn armen vliegend. Ik verstop mijn neus in zijn hals en adem diep in. De vertrouwde geur van toffee-ijs is verdwenen, vervangen door een zoete muntgeur. Ik trek mezelf omhoog aan zijn brede schouders om zijn mooie lippen te kussen. Zijn verbazing duurt niet lang. Hij grijpt me stevig bij mijn billen en ondersteunt me terwijl ik mijn gang ga.
‘Ik heb je gemist’ zeg ik stamelend.
‘Ik zie dat je pijn hebt. Dat vind ik toch zo erg …’ Zijn woorden zijn als een fluistering, maar ik voel ze diep vanbinnen door de zachte aanraking van zijn lippen tegen mijn schouder. De herinnering aan de pijn daar is nog vers, ondanks dat het al weken geleden is dat hij erin beet. Mijn schouders trekken zich bijna automatisch op, als een reflex om zowel de pijn als zijn tederheid af te weren.
‘Nee jij bent niet schuldig. De schuld ligt bij mijn eigen verwachtingen,’ zeg ik haperend van de emotie.
Hij laat me voorzichtig los en wanneer mijn voeten de grond raken, schuift hij met een vinger mijn T-shirt kraag opzij. Daar, op mijn huid, is de nog genezende wond te zien die hij toen met zijn tanden heeft gemaakt. Hij heeft die plek sindsdien vaak weer opengehaald tijdens onze vurige uitspattingen.
‘Wat is dit?’ zijn ogen worden groter alsof het de eerste keer is dat hij de wond ziet. Alsof hij het niet zelf heeft gemaakt. Het brengt me in de war.
‘Hoe bedoel je? Het geneest goed he?’ Ik beweeg iets van hem af en zorg ervoor dat mijn t- shirt de wond weer bedekt. Patrick was gedurende onze omhelzing tegen zijn benen op aan het springen. Hij is ook blij.
‘Zijn dat tranen van geluk of van verdriet?’ hij aait mijn wang met zijn duim en kijkt serieus bezorgd in mijn ogen.
‘Als je voor mij bent teruggekomen, ben je een idioot,’ Ik duw speels tegen zijn schouder aan en lach, mijn neus optrekkend en mijn tranen van mijn gezicht af vegend.
‘Sorry dat ik je teleur moet stellen, maar ik ben heel intelligent hoor…’ zegt de man die terug is gekomen terwijl ik dat niet verwachtte in een iets plagende toon: ‘… maar ik kon er niet mee leven dat dat stomme afscheidsbriefje het laatste zou zijn dat je ooit van me zou weten. Kun je het mij vergeven?’ Hij krabt zijn hoofd en ziet er beschaamd uit, bijna kinderlijk. Het is een nieuwe look voor de man die er normaal gesproken super zelfverzekerd en arrogant uitziet.
Wat hij als volgt doet, voelt heel onwerkelijk, net als zijn hele terugkomst. De man die altijd minstens een meter afstand tussen ons wilde, die mij alleen aanraakte op een seksuele manier, die er vaak allergisch voor leek te zijn als ik verdrietig was en die telkens verkondigde dat mijn tranen stonken…. die man… hij komt dichterbij staan, pakt me vervolgens stevig vast en ik moet flink omhoog kijken om zijn ogen te kunnen vinden. Ogen die me met een soort zorg en medelijden bekijken, en hij drukt mijn kleine lijf stevig zijn grote. Hij zucht en wrijft geruststellend op mijn rug en ik smelt tegen hem aan. Ik doe mijn armen om zijn heupen en hang aan hem. Uit mijn ogen vloeien weer tranen. Tranen die niet stinken, maar die wel een soort opluchting brengen en een soort ontlading. Want hij is terug. En hij lijkt er moeite mee te hebben dat ik daar verdrietig om was en ik besef nu pas hoe hard ik deze knuffel nodig heb. Hoezeer ik ernaar verlangd heb om zo vastgehouden te worden. Niet op een seksuele manier, maar wel op een warme, intieme manier. Van mens tot mens.
Het moment duurt dan ook lang. We staan daar gewoon en de muziek is voorbij en het is weer stil. Patrick probeert zich tussen ons in te wurmen, maar dat lukt hem niet omdat wij zo dicht tegen elkaar aan staan.
In zijn omhelzing hoef ik niets te zeggen. Zijn zwijgende steun spreekt boekdelen en geeft me het gevoel begrepen te worden. Het is alsof hij zegt: ‘Ik ben hier, ik begrijp je pijn, en ik sta naast je.’
Wat fijn om hem op deze troostende manier mee te maken. Het is echt een verademing. Ik ontspan en laat zijn warmte over me heen komen.
Wanneer we elkaar weer loslaten, zucht hij nogmaals en pakt nu mijn onderarmen vast: ‘Ik besefte ineens dat ik de grootste zonde beging die een mens ooit kon begaan.’
‘Wat?’ Mijn hersenen proberen de gebeurtenissen bij te houden.
Hij legt uit: ‘Waar ik vandaan kom, staat de doodstraf op zulke daden, weet je dat? Gij zult niet stelen.’ Terwijl hij praat, plukt hij voorzichtig een paar verdorde bladeren van een nabijgelegen plant.
‘De doodstraf?’ Mijn hoofd kantelt in een vragende houding, en ik knipper een paar keer met mijn ogen terwijl ik probeer de verwarring te begrijpen.
‘Ja, ik besefte ineens dat ik een dief was geworden door zo weg te gaan. Want ik had je beroofd van de mogelijkheid om je eigen keuze te maken. Ik had je je eigen wil ontnomen. Ik had de keuze voor je gemaakt.’ Hij laat mijn armen vallen en slaat zichzelf met zijn palm op zijn voorhoofd als teken van spijt.
‘Een heel wijs iemand herinnerde mij eraan dat ik niet zo bang moest zijn. Het is net als met mijn hoogtevrees, dan moet ik juist vliegen. Omdat het mooiste uitzicht daar in de hoogte te vinden is. Omdat dat het risico waard is.’
‘Okay …’ Als ik het goed begrijp, geeft deze zelfverzekerde, enigszins arrogante man toe ergens bang voor te zijn? Ik kon geen woorden vinden die pasten bij de gedachtenstorm die door me heen raasde.
‘Ik dacht dat ik je beschermde door je niet mee te nemen. Door je geen keuze te geven. Maar ik had het mis, want je wist niet eens dat je een keuze had. Je wist het niet. En ik dacht dat jouw onwetendheid gelijk zou staan aan jouw veiligheid, maar ik besef dat dat een foute gedachtegang was. Want onwetendheid is nooit veiliger. Onwetendheid is laf en dom.’
‘Jij? Jij geeft toe dat je het mis had?’ Patrick gaat ondertussen bijna ontploffen van enthousiasme. Hij draait rondjes en zwaait met zijn staart op zijn plek, hopend op wat aandacht van de Knapperling die terug is. De man ziet dat, lacht een beetje en aait het beestje op zijn hoofd. Patrick likt zijn hand, en de man gaat verder: ‘Ja, ik had het mis, want ik weet niet alles. Ik denk altijd dat ik alles weet, maar dat is onjuist. Niemand kan alles weten. En daarin was niet alleen jij degene die niet alles wist, maar vooral ikzelf.’
Ik kan niet geloven wat ik hoor: ‘Okay wacht even … je bedoelt te zeggen dat de man die zichzelf Alles noemt, niet alles weet?’ Mijn wenkbrauwen schieten omhoog.
‘Alles?’ Hij knippert snel met zijn lange wimpers.
‘Jouw naam?’ Ik gebaar met een handpalm omhoog naar hem. Het duurt een paar momenten waarin ik hem zie denken, maar dan zegt hij: ‘Mijn naam is Aris…’
‘Aris? Dat is wel wat anders dan Alles.’
‘Ja, ach ja, ik maak weleens grappen dat ik alles ben. Dat ik alles weet. Dat ik het centrum van de wereld ben. Ik maak mezelf wijs dat de zon opstaat en ondergaat alleen voor mij.’
‘Maar dat is niet zo. Ik ben maar een persoon. Een persoon met problemen en dingen die hij moet leren, maar waar ik te trots voor ben om dat aan mezelf of aan anderen toe te geven.’
Wauw … deze man, deze Knapperling, deze mysterieuze vreemdeling … hij heeft nog nooit zoveel woorden achter elkaar uitgesproken tegen mij. Maar wat hij zegt geeft wel veel inzicht in hoe hij denkt en wat hij over zichzelf denkt. Het is vreemd, maar ook erg verfrissend.
Hij houdt zijn rechterhand voor me uit, alsof hij mijn hand wil schudden. Ik pak het en beweeg onze handen op en neer. Hij zegt: ‘Mijn naam is Aristoteles. Aris voor vrienden. Aangenaam …’ hij beweegt onze handen naar zijn gezicht die nu een intrigerende uitdrukking heeft gekregen en kust daar de bovenkant van mijn hand.
‘Leuk je te ontmoeten Aristoteles,’ ik knik met mijn hoofd en lach een voorzichtige lach.
Was Aristoteles niet een filosoof uit de tijd van de Grieken?
Deze man ziet er allesbehalve als een filosoof uit. Maar ik vind Aris een veel leukere naam dan Alles en vraag mezelf af waarom hij erover gelogen heeft.
Hij lijkt net als altijd mijn gedachten te kunnen lezen: ‘Ik was bang. Ik wilde niet dat jij het verhaal over wat wij hier beleefd hebben ooit aan de hoogste bieder zou verkopen. En als jij zou hebben geweten wie ik ben, was ik bang dat jij dat gedaan zou hebben …’
‘Dus je was bang? Maar hoe zit het daarmee? Jij zei altijd tegen mij dat ik niet bang moest zijn.’
‘Yep. Ik ben een bange sukkel …’ Aris lacht zachtjes in zichzelf terwijl hij voorzichtig mijn hand vastpakt. Op het moment dat onze handen in elkaar verstrengelen, lijkt er een onzichtbare vonk over te springen. Een zacht knetterend gevoel, als elektriciteit die door onze vingers stroomt. Het voelt vertrouwd, maar tegelijkertijd opwindend. ‘… er gebeurt iets met me als jij in de buurt bent. Het is bijzonder … het is iets wat me diep raakt. En eerlijk gezegd, daar was ik het meest bang voor, en ben ik nog steeds …’
Terwijl we hand in hand naast elkaar lopen, verlaten we de kas en betreden het weiland waar Clara en de andere geiten grazen.
Hij, normaal zo zelfverzekerd, geeft nu toe dat hij fouten heeft gemaakt en soms bang is. Zijn eerlijkheid verbaast me, maar is ook verfrissend. Ik kijk hem aan en zie een glimp van kwetsbaarheid in zijn ogen.
‘Weet je,’ zeg ik zachtjes, ‘iedereen maakt fouten. Het is moedig om dat toe te geven.’ Ik geef zijn hand een kneepje.
Hij glimlacht zwakjes en knikt. ‘Misschien heb je gelijk,’ antwoordt hij, zijn stem breekbaar maar vastberaden. ‘Misschien is dit het begin van iets nieuws … iets beters.’
Dan verstrengelt hij onze handen op intense wijze en voel ik de elektriciteit door mijn aderen stromen. Het voelt als een raar geknetter. Het doet bijna pijn, zo sterk is het gevoel, dat ik een beetje met mijn pols schud om zijn hand losser te laten. Nu we onze handen minder strak vasthouden, ebt het gevoel weg.
Ik moet mijn ogen even van de zijne afwenden om mijn gedachten te ordenen en fluister zachtjes: ‘Precies.’
Hij laat mijn hand los en ik zie dan hoe Aris zijn hand tot een vuist balt en dan weer ontspant, terwijl hij me vraagt: ‘Dus jij voelt het ook?
Dit vreemde ding dat tussen ons is? Deze …’ Hij worstelt even om de woorden te vinden en zegt dan: ‘… deze kracht?’
‘Ja, ik voel het,’ antwoord ik met een verlegen glimlach. Ik plaats mijn handen op mijn wangen en voel de warmte. Waarschijnlijk is mijn gezicht weer eens helemaal rood. Ik haat de manier waarop ik zo doorzichtig ben en altijd mijn gevoelens toon.
‘Heb je zin om dit verder te ontdekken samen?’
‘Ja. Al weet ik niet zo goed wat dat in de praktijk zou betekenen …’
‘Het zou betekenen dat jij dit leven achterlaat om je helemaal onder te dompelen in het mijne. Als je ervoor kiest om met me mee te gaan, betekent het dat je er nooit met iemand uit jouw oude leven over kunt praten. En ook nooit kunt praten met mensen van buiten.’
Ik kijk verward naar deze man die nu Aris heet en niet langer Alles en ik vraag me af of ik hem wel kan vertrouwen. Hij heeft gelogen over zijn naam. Waar liegt hij nog meer over? Ik wil hem wel vertrouwen, maar mijn gevoelens van verwarring nemen toe. ‘Hoe bedoel je?’
‘Als je voor ons kiest, is er geen weg meer terug …’ Hij haalt opgelucht een hand door zijn mooie, kortgeknipte haren. Hij is blijkbaar naar de kapper geweest en ziet er nu een stuk minder wild uit. Een stuk beschaafder dan toen.
‘Ik besef dat dit allemaal heel mysterieus klinkt, maar ik kan en mag je er niet veel meer over vertellen … want als ik dat zou doen en je zou ervoor kiezen om niet met me mee te gaan … dan zou ik je moeten laten verdwijnen.’
Er hangt een dreigende ondertoon in de lucht en ik bestudeer hem met gefronste wenkbrauwen. Probeert hij een grap te maken? Zijn gezicht blijft onbewogen en ik voel een rilling over mijn rug trekken terwijl ik besef dat het bloedserieus is.
Mijn gedachten razen terwijl ik probeer te bevatten wat dit allemaal betekent.
De mogelijkheid om nooit meer met iemand uit mijn oude leven te praten en geïsoleerd te raken van de buitenwereld is enerzijds beangstigend.
Maar anderzijds realiseer ik me dat er eigenlijk niemand is die ik echt zou missen of met wie ik zou willen praten. Ik ben enig kind, mijn ouders zijn er niet meer.
Zelfs een buur om mee te praten heb ik niet. Alleen de geiten en de hond houden me gezelschap.
Maar het idee dat ik zou moeten kiezen tussen mijn huidige leven en een mysterieuze, onbekende wereld waarin Aris me mee wil nemen, brengt verwarring en twijfel naar boven.
Wie is deze man eigenlijk en uit welke wereld komt hij? Plots begrijp ik waarom hij aanvankelijk zo teruggetrokken leek en zo weinig over zijn leven vertelde.
Terwijl we daar staan, omringd door rustig grazende geiten en het weidse landschap, voel ik me gevangen tussen mijn verlangen om dit bijzondere avontuur te verkennen en de angstaanjagende realiteit van de keuzes die voor me liggen. Mijn blik blijft op Aris gericht, maar mijn geest probeert te begrijpen wat er werkelijk op het spel staat.
‘Waarom deze verandering?’ floept er ineens uit mijn mond.
‘Sorry?’ Hij stopt met lopen, duidelijk niet begrijpend wat ik bedoel.
‘Ik bedoel … waarom ben je van gedachten veranderd? Wekenlang heb je me totaal buitengesloten en niets persoonlijks verteld. Toen ging je weg. En nu ben je terug. Wat heeft deze verandering van gedachten veroorzaakt?’ voeg ik eraan toe met een speelse twinkeling in mijn ogen. ‘Heeft een van mijn geiten je misschien een epische peptalk gegeven toen ik sliep of zo?’ Ik kijk even omhoog en bedenk nog iets: ‘En waarom probeer je me nu zo bang te maken?’
Hij leunt naar me toe en zijn stem wordt indringend: ‘Je bent bang voor me?’
Ik knik bij wijze van antwoord, maar na een paar seconden waarin hij me aandachtig bestudeert voeg ik toe: ‘Maar niet op die manier hoor. Ik ben niet bang dat jij me zult vermoorden of zo. Het is alsof …’ ik zuig even moed naar binnen, kijk naar mijn voeten om zijn doordringende ogen te vermijden, ‘… alsof ik moet oppassen niet te vallen en in je te verdrinken.’
Na een veelzeggende stilte die wel een paar lange momenten duurt, reikt Aris naar voren en pakt me bij mijn pols terwijl ik van onder mijn wimpers iets verlegen naar hem opkijk.
‘Wil je in me verdrinken, Angelina?’
Mijn lippen gaan uit elkaar, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Ik sta een beetje perplex door de intensiteit van zijn gezicht, zo uitgesproken op een soort gespannen, dreigende toon. Het rare gevoel wordt onderbroken wanneer ik bedenk hoe raar het is om hem mijn volledige naam te horen gebruiken. Meestal was het Angie of Engel. Maar nooit Angelina. Het klinkt mooi uit zijn mond. Hij spreekt het zachtjes uit, bijna vererend, met hitte en verlangen in zijn mooie gelaat. Ik schraap mijn keel en bevochtig mijn lippen.
Hij brengt mijn hand en de energie tussen ons die knettert daar waar hij me aanraakt, naar zijn lippen. Wanneer mijn hand zijn gezicht bereikt, ruikt hij eraan. Ik wil het wegtrekken, maar hij zorgt ervoor dat ik mijn hand niet weg kan halen. Dan, langzaam, kust hij mijn vingertoppen een voor een. De handeling voelt zeer erotisch. Het is heel anders dan de wilde seks van vroeger. Dit is meer ingehouden. Meer vererend en bewonderend.
‘Kijk naar je voeten! Niet in zijn ogen kijken! Je zult vlamvatten!’ gebied ik mezelf.
Maar ondanks mijn innerlijke waarschuwingen, worden mijn ogen weer naar die van hem getrokken. Hij glimlacht en de wereld lijkt even stil te staan. De dreiging van zijn aanwezigheid verdwijnt en maakt plaats voor iets anders, iets veel gevaarlijker en verleidelijker.
Ik kuch zachtjes: ‘Ik weet het niet …’ zeggen mijn lippen en mijn hersenen denken terug aan onze gepassioneerde ontmoetingen. Hitte stroomt opnieuw naar mijn wangen. Stomme wangen.
Het is duidelijk dat de aantrekkingskracht die we hadden er nog steeds is. Het is anders wel … maar het is er wel.
‘Je weet het niet …’ echoot hij met hese stem. Een stem die dingen met mijn vrouwelijke delen doet.
‘Kun je me er iets meer over vertellen?’ vraag ik het geklop tussen mijn benen negerend.
Na een paar momenten heeft hij nog steeds geen antwoord gegeven en word ik wel geforceerd om naar hem omhoog te kijken.
Wanneer mijn blik de zijne bereikt, zie ik hoe hij mij nog steeds heftig bestudeert. Zijn ogen hebben nu iets dreigends maar tegelijkertijd iets ondeugend erin.
Het is een nieuwe manier van kijken voor hem, en voor mij de eerste keer dat ik het zie. Zijn antwoord komt in de vorm van een zeer langzaam schudden van zijn mooie hoofd.
‘Ik zal je daar rondleiden en alles leren. Ik ben een zeer goede gastheer. Zeer ervaren …’ zegt zijn mond.
Begin ik zijn woorden verkeerd te interpreteren of is er een sensuele ondertoon die ik oppik? Of is het gewoon mijn verbeelding die, zoals altijd, een loopje met me neemt? Er ontsnapt een zachte, plagerige lach uit zijn mond, en ik besef dat hij dit hele gesprek ronduit vermakelijk vindt.
Lachend haalt hij een plat, zwart, vierkant doosje uit zijn achterzak. Hij klapt het open en het blijkt om een mobiele telefoon te gaan. Hij houdt het voor mijn gezicht en zegt: ‘Denk erover na en bel me als je weet wat je wil doen.’
Het ding van hem overpakkend zeg ik: ‘Hm … er is hier geen bereik …’
‘Dit ding heeft overal bereik.’
‘Maar … ik moet niet traceerbaar zijn …’ leg ik twijfelend uit.
‘Nee? Je moet me maar eens vertellen waarom dat dan is … als je besluit met me mee te komen … en nee, deze telefoon is voor niemand traceerbaar.’
Zijn blik schiet omhoog en hij kijkt naar iets in de verte achter me. Dan in een fractie van een seconde staart hij me aan met een vreemde nieuwe hardheid in zijn ogen. Kortaf zegt hij dan opeens: ‘Sorry, ik moet nu gaan. Ze wachten op mij.’
‘O … ja … okay …’zeg ik terwijl ik rondkijk en me afvraag hoe hij hier is gekomen en hoe hij van plan is weer weg te gaan. Net wanneer ik op het punt sta dat aan hem te vragen, zie ik achter mijn rug en van achter de heuvels een helikopter verschijnen. Een geluidloze. Wat raar … zou dit misschien zo’n supermoderne vliegmachine zijn? Net als die vliegende auto? Wie is deze man en waarom heeft hij toegang tot de meest geavanceerde voertuigen ter aarde?
‘Angelina, nog een laatste ding …’ zijn woorden halen me uit mijn verwarring ‘… er kan niets gewonnen worden zonder de kans te lopen iets te verliezen.’ Hij knijpt zijn lippen samen en knikt met zijn hoofd om de woorden kracht bij te zetten.
‘Het is jouw beslissing. Bel mij als je een antwoord hebt. Neem de tijd. Maar wacht niet te lang.’
Ondertussen is de vliegmachine geland en zie ik de geiten geschrokken naar de schuur rennen. Aris pakt mijn hand nogmaals en drukt daar snel een kus op om vervolgens naar de helikopter te rennen en daarin te stappen.
Ineens schiet ons gesprek van een tijdje geleden bij me naar binnen:
‘Als je hoogtevrees hebt waarom vlieg je dan?’
‘Omdat het uitzicht het mooiste is vanaf die hoogte.’
‘Als je bang bent waarom doe je het dan? Vanwege het uitzicht?’
‘Nee. Omdat het het risico waard is.’
En dan zijn de Vreemdeling, de Knapperling, de Alles en de Aris weg en is het weer me, myself and Patrick.
