Hoofdstuk 4


Vivaldi

Maar dat was toen en dit is nu. Hij ligt alweer een paar dagen te slapen en is dus nog steeds niet opgehaald door “zijn mensen”. Ik voer hem zoals ik het inmiddels gewend ben, een paar keer per dag en ik vraag me af, moet deze man nooit naar de wc?

Op dit moment speelt One van de Swedish House Maffia zachtjes op de achtergrond en zit ik alleen met mijn knieën in de modder van mijn moestuin. De kleine tomaatjes zien er best goed uit al zeg ik het zelf. Waarom voel ik me dan zo verdrietig? Is het soms weer die tijd van de maand? Ik dacht van niet… maar waarom voel ik me zo down?

Ik zou eigenlijk in de wolken moeten zijn dat ik eindelijk wat gezelschap heb na al die eenzame dagen. En niet zomaar gezelschap. Ik heb het over een ware Adonis, een knapperd waar je u tegen zegt. Hij is zo ongelooflijk knap dat ik me afvraag of ze hem niet stiekem in een laboratorium hebben gefabriceerd volgens de meest strikte specificaties. En raad eens wat? Deze prachtige man wilde mij kussen. Ik bedoel, hallo, dat is toch geweldig! Het voelde alsof ik eindelijk weer een connectie had met een ander mens op een manier waarvan ik niet eens meer wist dat ik het miste.

Maar eerlijk gezegd, ondanks dat ik zwijmel bij zijn aanwezigheid, heb ik me nog nooit zo alleen gevoeld als sinds hij als een engel uit de hemel op mijn stoep belandde. Ik kan gewoon niet wachten tot hij weer wordt opgehaald door zijn “zijn mensen” en mijn leven weer terugkeert naar de goede oude eenzaamheid.

Dus daar ga ik weer, plukkend aan een tomaat van de plant, stop hem in mijn schattige rieten mandje en… begin te huilen. Ik besef niet eens dat de tranen over mijn wangen rollen. Het dringt pas tot me door wanneer ik plotseling een zware, diepe stem hoor vanuit de ingang van de kas, die met een vrolijke toon zegt: ‘Vivaldi.’

Geschrokken draai ik me om en zie ik de langste, grootste, meest adembenemende man ter wereld, die schijnbaar weer helemaal hersteld is, daar tegen de deur aangeleund staan met zijn armen gekruist voor zijn brede borstkas. Serieus, hij is enorm… een echte reus van een man… en hij is wakker! En geloof het of niet, maar wakker is hij nog knapper. Hoe is dat mogelijk?

Hij staat daar gewoon, alsof hij de koning van het kasteel is, met zijn witte overhemd netjes aan, zijn keurige broek en zijn blote voeten alsof hij hier de boel runt alsof het zijn achtertuin is. Echt, ik zweer het je, hij gedraagt zich alsof hij hier thuishoort, alsof hij al jaren deel uitmaakt van het meubilair! Je zou bijna denken dat hij het geheim van teleportatie heeft ontdekt en gewoon af en toe hier opduikt voor wat gezelligheid.

Doe niet zo raar, Ange! Stop met naar hem te staren. En sluit je mond! En veeg je tranen af!

Verdomme! Snel veeg ik de tranen van mijn wangen en vraag: ‘Wat?’

Deze kerel heeft dagenlang bewusteloos als een baby op mijn rode bank gelegen, omringd door luiers, en het eerste wat hij zegt bij het ontwaken is ‘Vivaldi’? Is hij soms met zijn hoofd tegen de muur gebotst? Het zou haast niet anders kunnen.

Er verschijnt een lichte glimlach op zijn knappe gezicht, en als hij eerst al de mooiste man ter wereld was, dan is hij nu de meest adembenemende man in het universum. Serieus, hoe kan iemand zo belachelijk knap zijn? Het slaat werkelijk nergens op. En wat is er zo grappig aan mijn vraag? Kan hij soms gedachten lezen?

‘Je moet Vivaldi voor ze spelen,’ zegt hij, terwijl hij stopt met lachen, en naar de geluidsinstallatie loopt die ik op een tafeltje bij de deur heb gezet.

‘Bedoel je voor de plantjes? Nee, geen Vivaldi. Daar word ik alleen maar somber van, en mijn plantjes vast ook. Ik wil geen verdrietige plantjes,’ mompel ik, dankbaar dat hij ik als een redelijk persoon klink in plaats van een hysterische kleuter die vanbinnen in de war raakt door zijn verbluffende looks.

‘Ik denk dat deze technische meuk je ook niet bepaald vrolijk maakt, toch?’ De mysterieuze berg van een man, die eerst niet meer dan drielettergrepige woorden sprak, blijkt nu ineens hele zinnen te kunnen formuleren?

‘Klassieke muziek kan ook opbeurend zijn, hoor,’ voegt hij eraan toe terwijl hij langzaam en ongelooflijk sexy (want blijkbaar wordt hij nóg aantrekkelijker als hij beweegt) mijn kant op loopt en op de meest mannelijke manier mogelijk neerzakt.

Ik weet niet wat ik moet doen of zeggen. Ergens had ik niet verwacht dat hij ooit nog wakker zou worden, laat staan dat hij er zo bij zou lopen met zijn perfect gespierde lichaam alsof er niks aan de hand is, en dat zijn eerste volledige zinnen meteen kritiek zouden bevatten.

‘Nietes,’ komt dan ook uit mijn stomme mond, want ik ben blijkbaar toch wel een gillende kleuter.

Hij grinnikt, de pret ineens in zijn ogen: ‘Welles!’ Wie is deze man en waarom denkt hij mij hier in mijn eigen huis slash kas slash moestuin, het recht te hebben kritiek op mij te geven? Wat normaal zou zijn is dat hij me bedankt voor de goede zorgen en voor zijn verblijf op mijn geweldige rode bank. Maar nee. Meneer is hier de baas blijkbaar en niet een gewonde gast en hij kan meteen zeggen wat hij wil.

‘Noem eens een voorbeeld,’ eis ik geërgerd.

‘Bach,’ zegt hij terwijl hij naast me op de grond gaat zitten, met gekruiste benen en een serieuzere blik op zijn gezicht.

‘Bach? Het feit dat de muziek snel is, betekent niet dat het niet deprimerend is, meneertje…’

‘Meneertje?’ Hij zucht en zegt: ‘Niemand noemt mij meneertje.’

‘Dat is niet waar. Ik noem jou meneertje, en ik ben niet niemand,’ antwoord ik brutaal tegen deze superknappe, mysterieuze, en ergens intimiderende man, en voeg eraan toe: ‘En dat niemand jou ooit zo heeft genoemd, daar heb ik geen last van.’ Nu kruis ik mijn armen en kijk hem uitdagend aan.

In mijn hoofd hoor ik Mickey klappen alsof het een staande ovatie is.

‘Ik geef de voorkeur aan de titel van Knapperling,’ klinkt er plots een vleugje verleiding in zijn stem? Oh mijn god, nu word ik rood. Ik voel het. Als hij maar niet begint over die kusjes van laatst… of nog erger, over het avontuur van mijn handen over zijn naakte torso terwijl hij sliep… Ik begin snel in en uit te ademen in de hoop dat mijn hoofd niet ter plekke explodeert samen met mijn eierstokken.

De reus van een man grijnst alsof hij een geheimpje heeft en zegt: ‘Goed dan…’ Hij denkt even na en trekt een wenkbrauw op met zijn vingers: ‘… Mozart dan!’

‘Daar worden de plantjes hyperactief en onrustig van,’ zeg ik terwijl ik weer een tomaatje van de plant pluk.

Plotseling komt Patrick naar binnen rennen en begroet ons met vrolijk geblaf. Dan gaat hij naast de man zitten en legt zijn grote kop op het bovenbeen van mijn gast.

Wie is deze hond en wat heeft hij met mijn waakse, alerte, vreemde mensen werende hond gedaan? De man laat zijn grote, geruststellende hand rustig op het hoofd van mijn hond rusten en begint het beest liefdevol te aaien. Mijn ogen worden afgeleid door de kalme beweging van zijn hand. Een hand met grote, lange vingers, prachtig oplichtende aderen en een indrukwekkende pols.

Hoe kan een pols indrukwekkend zijn?

Patrick ligt daar heerlijk te genieten, met zijn tong uit zijn bek, alsof de mysterieuze man slash Adonis zijn nieuwe baas is. De verrader. Snapt hij dan niet dat dit nog steeds een vreemdeling is, die nogal vreemd is, en dat hij me juist tegen zulke types zou moeten beschermen?

‘Heb je nog meer huisdieren?’ vraagt de man terwijl hij met zijn prachtige bruine ogen intens in de mijne kijkt. Mijn ogen, die waarschijnlijk helemaal bloeddoorlopen zijn van het huilen. Oh god, zou mijn mascara ook helemaal uitgelopen zijn? Wacht eens even, ik heb helemaal geen mascara op. Verdomme! Ik realiseer me ineens dat ik helemaal geen make-up draag. Natuurlijk niet!

Als ik had geweten dat de man die ik voortaan maar de Vreemdeling zal noemen (want dat is wat hij is, hij is ineens in mijn leven zonder toestemming te vragen, en ik moet er maar mee dealen) vandaag wakker zou worden, had ik misschien wel iets meer moeite gedaan om er een beetje leuk uit te zien.

O fuck, waarom kijkt hij zo naar me? Zijn blik is intens, maar tegelijkertijd ook geruststellend. Het is alsof hij me streelt met zijn ogen, terwijl hij dat bij Patrick met zijn hand doet.

Blijf ademhalen Angie, anders heb je zo niet alleen rode ogen, maar ook een rode kop en ga je op vreemde plekken zweten en dat is helemaal niet aantrekkelijk.

Op het gezicht van de Vreemdeling verschijnt opnieuw een lichte glimlach, en ik begin serieus te denken dat deze man gedachten kan lezen. Als dat waar is, heb ik een probleem, want normaal gesproken is het al lastig genoeg voor me om mijn mond te houden, laat staan mijn gedachten!

Terwijl hij me nog steeds met die rare blik aanstaart, begint hij ineens langzaam met zijn hoofd te knikken. Op dat moment besef ik plotseling dat ik daar met open mond naar hem sta te staren en zelf ook met mijn hoofd aan het knikken ben. Zit hij me nu na te apen? Zou hij zich nog herinneren dat ik hem een paar dagen geleden heb gekust? En zijn blote torso heb betast terwijl hij bewusteloos lag? Oh god, laat hem alsjeblieft dat laatste zijn vergeten.

Ik schud mezelf uit mijn twijfels en antwoord: ‘Mijn beesten zijn geen huisdieren. Ze hebben allemaal een taak en een functie. Maar ja, ik heb wel andere dieren, drie geiten en twee paarden om precies te zijn.’

‘Geen katten?’ vraagt hij geïnteresseerd.

‘Tuurlijk niet! Dat zijn kleine moordenaars. Of erger nog, ze zijn erger dan moordenaars. Heb je weleens gezien wat ze met vogeltjes doen? Ze spelen ermee en martelen ze net zo lang tot ze dood zijn. Het is gewoon ziek.’

‘Het is de natuur,’ verklaart hij in een geruststellende, wijze toon.

‘Ja, die kan ook een klootzak zijn …’ Ik sta op het punt om hem te vragen hoe hij zich voelt, maar hij onderbreekt mijn gedachten.

‘Dus je hebt geen tv, maar je hebt wel Spotify?’ Blijkbaar heeft hij genoeg van het gesprek over huisdieren. Ik vraag me af hoelang hij al wakker is, aangezien hij zo opmerkzaam is dat het hem opvalt dat ik geen tv heb.

‘Mp4s. Geen Spotify, want ik heb geen internet,’ mompel ik terwijl ik weer een tomaatje in het mandje stop zonder hem aan te kijken. Ik hoop dat hij niet verder vraagt. Hij hoeft niet te weten dat ik me hier verstopt houd voor mensen die mij sinds de dood van mijn ouders proberen te vinden, en dat ik daarom alles doe om onvindbaar te blijven. Dat is ook de reden waarom dit huis nog steeds op naam van mijn oom staat, hoewel hij al een flink aantal jaren geleden is overleden en begraven ligt onder de grote boom achter het huis. Niemand mag weten dat ik hier ben.

‘Waarom huil je dan?’ Oh verdomme. Opmerkzaamheid ten top. En dat voor iemand die blijkbaar een flinke smak op zijn achterhoofd heeft gehad…

‘Dat gaat je niets aan.’

‘Nou, stop daar maar gauw mee.’ Wat een lef heeft deze vent om mij te vertellen wat ik moet doen.

‘Ik was al gestopt. En trouwens, als ik wil huilen, dan doe ik dat. Dit is nog steeds mijn huis, vriend.’

‘Knapperling,’ verbetert hij me. Zijn ogen glinsteren van pret, maar dan haalt hij diep adem en zegt: ‘Ze stinken.’

‘Je tranen. Ze stinken,’ legt hij uit.

Wat? Mijn tranen stinken? Is deze man soms op zijn hoofd gevallen? Oh ja, dat was mijn conclusie al. Hij is waarschijnlijk uit de hemel gevallen en heeft daarbij zijn hersens gestoten. Er is echt iets grondig mis met deze Indringer. Het kan bijna niet anders, want niemand kan zo knap zijn zonder een steekje los te hebben. En dat hij een eikel is, wordt steeds duidelijker door de rare dingen die hij zegt. Dat kan gewoon niet anders. Met gefronste wenkbrauwen staar ik onbegrijpend voor me uit.

Na een lange stilte en een even lang en ongeduldig gezicht van de Vreemdeling vraagt hij plotseling met opgetrokken wenkbrauwen: ‘Moet ik het soms in een andere taal zeggen? In het Mandarijn of zoiets?’

‘Spreek jij Chinees?’ vraagt hij.

‘En nog acht andere talen.’

‘Oh, ben je in al die talen ook zo’n eikel?’

Rustig aan, Angie. Hou je een beetje in.

Maar ik kan me niet inhouden: ‘Het is jouw schuld dat ik me zo voel, hoor. Als jij er niet was geweest, dan zou ik vergeten zijn hoe alleen ik me voel en had ik het helemaal niet erg gevonden om alleen te zijn. Maar nu ben jij er gewoon, en ik heb nooit om gezelschap gevraagd, maar nu ben je er en besef ik ineens hoe alleen ik was, en nu wil ik niet meer alleen zijn. Maar ik zal wel alleen moeten zijn, want je wordt straks door “je mensen” opgehaald.’

Wauw, ik wist dat mijn mond los zou gaan. Het kon niet lang meer duren… hij zal wel denken dat ik een of andere drama Queen ben of zo. Of misschien denkt hij wel dat ik gestoord ben.

En het is duidelijk dat hij aan het nadenken is, gezien de tijd die hij neemt voordat hij reageert. Hij heeft echt een pokerface, dat is wel duidelijk. Geen enkele reactie op mijn plotselinge emotionele uitbarsting, en ik sta daar te hopen dat er een gat in de grond opent waarin ik kan verdwijnen.

Dan, ineens, na een lange stilte waarin nog steeds geen gat is verschenen, zegt hij: ‘De enige persoon die je de schuld kunt geven, ben jezelf.’

‘Dat geldt nu niet, vriend,’ zeg ik snel, want ik moet hier zo snel mogelijk weg. Ik weet niet wat er met me aan de hand is, maar ik heb me nog nooit zo labiel gevoeld in mijn hele leven.

‘Dat geldt altijd,’ zegt hij terwijl hij ook opstaat, en ik loop langs hem heen.

Terwijl ik achteromkijk, zeg ik iets briljants: ‘Hmm… nee.’

‘Hmm… jawel. Dat geldt in elke situatie.’

Kan ik hem verstikken? Met mijn hemd? Zou dat werken?

In plaats daarvan vraag ik: ‘Hoe heet jij?’

Hij denkt er even over na en zegt dan: ‘Alles.’

‘Wat?’ Is dat een naam?

‘Het is mijn naam.’

‘Je bent zeker flink geplaagd als kind, toch? Hallo, ik ben Alles! Hoe zielig eigenlijk. Zelfs als klein kind kwam je al arrogant over en dat kwam puur door je naam. Wat gemeen van je ouders!’

Ik kan niet geloven dat iemand zijn kind zo noemt. Hij reageert niet op mijn opmerkingen, maar blijft stil. Het voelt als een aangename stilte. Alsof hij ervan geniet wanneer ik dingen die ik eigenlijk voor me zou moeten houden, ineens hardop zeg.

Mijn mond lijkt vandaag echt niet dicht te kunnen, want ik ga door: ‘Jij bent zeker superrijk, toch? Want alleen zeer vermogende mensen geven hun kinderen zulke rare namen.’

‘Dus omdat ik volgens jou een rare naam heb, ben ik rijk?’

‘Ja. En met die arrogantie, die minachting, die blik van superioriteit die sommige rijke mensen hebben…’ ik wijs naar zijn gezicht ‘… je weet wel, die uitdrukking van overdreven eigendunk die je hebt als je miljardair bent en je kunt je veroorloven om te spotten met gewone mensen zoals ik.’

Zijn reactie? Gelach. Hij lacht opnieuw. En ik vind zijn lach irritant. Eigenlijk vind ik alles aan hem irritant. In dat opzicht past zijn naam wel echt bij hem. Ha!

Het kan me ineens niet meer schelen hoe knap hij eruitziet of hoe alleen ik me voel. Ik wil gewoon dat hij vertrekt. Ik begrijp niet hoe het mogelijk is dat een mens een ander mens zo gek kan maken, door slechts een gesprek van minder dan een minuut. Ik wou dat zijn vliegtuigding hier nooit was neergestort.

Ik sta op en stamp weg van hem als een kleuter, maar gelukkig vergeet ik mijn mandje niet, dat ik tegen mijn heupen aanhoud terwijl ik lachend wegloop. Wat een eikel.

Eenmaal in de keuken haal ik een paar keer diep adem om mezelf te kalmeren en begin ik de tomaatjes een voor een af te wassen. Maar dan hoor ik voetstappen en ruik ik die heerlijke geur, en hoor ik die ergerlijk mooie stem die bijna fluisterend zegt: ‘God, wat zonde.’

‘Wat?’ Ik draai me snel om en schrik wanneer ik zie dat hij wel heel dichtbij is gekomen. Hij zou me zo naar zich toe kunnen trekken en zoenen of zo.

Stop met het projecteren van je seksuele fantasieën op deze arme man, Angie.

Een ongemakkelijk gevoel overvalt me op dat moment. Het is een soort angst die ook seksueel opwindend is… een soort elektriciteit… Waarom voel ik me toch zo aangetrokken tot deze rijke, mysterieuze, maar blijkbaar ook knettergekke eikel?

Hij lacht die ellendige lach weer en ik vraag mezelf af: ‘Kan deze irritant knappe eikel soms mijn gedachten lezen? Zou hij weten hoe belachelijk aantrekkelijk ik hem vind?’ Als dat zo is, wat natuurlijk onmogelijk is, zal ik hem eens een lesje leren. Want hij moet maar eens leren om de persoonlijke grenzen van anderen te respecteren.

Ik druk mijn handen tegen zijn harde borstkas en eis: ‘Zeg eens, hallo, heb je nooit van persoonlijke ruimte gehoord?’

Hij neemt een stap achteruit en ik duw mijn wijsvinger in zijn gezicht: ‘Nu moet jij eens heel goed naar me luisteren. Dit is mijn huis…’ Ik druk mijn vinger weer hard tegen zijn belachelijk harde borstkas aan en hij stapt nogmaals achteruit ‘…mijn huis…’ benadruk ik en druk mijn vinger op dezelfde plek op zijn borst en hij stapt nogmaals achteruit ‘… mijn regels. Jij blijft met je heerlijk ruikende lijf te allen tijde minstens een paar meter van me af en je haalt die stomme glimlach van je kop terwijl je mijn vragen beantwoordt. Is dat duidelijk?’ Ik maak mezelf groter en zet beide handen op mijn heupen.

‘Heerlijk ruikende lijf?’ Zijn wenkbrauwen bewegen omhoog en hij pakt er eentje vast met zijn duim en wijsvinger.

Natuurlijk moet die arrogante kwast daarop ingaan. Ik zucht: ‘Wat heb ik nou gezegd over vragen stellen?’

‘Dat mag ik niet.’

‘Dus… is dat duidelijk?’

‘Kristalhelder,’ is zijn antwoord. Hij knippert snel met zijn lange wimpers.

‘Daarbij is het niet de bedoeling dat je mijn vragen met een vraag beantwoordt,’ verduidelijk ik.

Hij knikt met zijn hoofd en doet duidelijk moeite om zijn mondhoeken recht te trekken, die weer aanstalten maken om omhoog te schieten in een stomme glimlach. De klootzak.

‘Weet je wat? De volgende keer dat je last krijgt van je klootzakkerigheid, wil ik graag dat je mij er niet mee lastigvalt, maar dat je contact opneemt met de Klootzakken Anoniem Hotline en je laat opnemen in het Klootzakken Rehabilitatiecentrum. Ben ik duidelijk?’

Moet je deze man nu echt uitschelden Angie? Je bent nog steeds een vrouw en hij is veel groter dan jij. Je kent dan wel een beetje Krav Maga maar ik denk dat je deze keer niet wint…

De man, die blijkbaar de rare naam Alles heeft, knikt weer en vraagt: ‘Zal ik dan maar gaan zitten? Want volgens mij moeten we praten.’

‘Dat mag, maar dat is meteen de laatste vraag die je vandaag zult stellen. Vanaf nu stel ik de vragen hier. Begrepen?’ Ik neem plaats aan de keukentafel terwijl ik mijn handen met een theedoek afveeg, en hij gaat tegenover mij zitten.

‘Goed, laten we dan beginnen. Wat bedoelde je met “God, wat een zonde”?’

‘Jij. Hier. Alleen.’ Wat?

‘Ik ben niet alleen,’ antwoord ik, en bedenk daarbij dat ik Patrick heb… en waar is die stomme hond wanneer je bijna van achteren wordt aangerand door een onbeschofte klootzak die superirritant is?

Alles zegt niets, maar kijkt geduldig naar mijn waarschijnlijk super rode kop.

Na een paar momenten stilte zeg ik: ‘Okay, ik hap. Waarom is dat een zonde, o wijze irritante… Alles!’ Ik ben er trots op dat ik hem geen klootzak of eikel noem.

‘Het is zonde dat jij je zo afzondert.’

Waarom moet deze vreemdeling zo opmerkzaam zijn? Ik hoef deze vreemde man natuurlijk niets uit te leggen en ik haat het dat ik dat nu toch doe: ‘Dan voel ik me veilig.’

‘Hmm… veilig…’ dat is het enige wat hij zegt, terwijl hij semi-nadenkend iets naar achteren schuift, zijn armen op tafel legt en zijn handen in elkaar vouwt.

‘Wat is er mis met veilig willen zijn?’ Mijn irritatie voor deze man bereikt inmiddels ongekende hoogtes.

‘Mag ik je een vraag stellen?’

‘Antwoorden met een wedervraag mag niet, weet je nog?’ Mijn ogen puilen uit. Wat een lef heeft deze man.

‘Dat weet ik, daarom vraag ik je of ik ondanks dat toch een vraag mag stellen.’ Nu ben ik toch wel heel erg benieuwd naar zijn stomme vraag, dus zeg ik: ‘Okay, dan, maar slechts eentje.’

‘Okay, hier komt ie: veilig voor wat?’

‘Alles,’ zeg ik kort, want ik heb geen zin om deze man mijn hele verhaal te vertellen. Want kan ik hem wel vertrouwen? Hij is nog steeds een vreemdeling.

‘En dan bedoel ik niet specifiek jou, want jij heet natuurlijk Alles, maar alles, ja,’ leg ik klungelig uit.

‘Waarom moet je veilig zijn?’ Hij raakt weer een wenkbrauw aan en haalt vervolgens dezelfde hand door zijn haar in een sexy beweging.

Probeert hij me nu te verleiden? Of is alles wat Alles doet ontzettend aantrekkelijk? Behalve zijn irritante gedrag dan. Dat is helemaal niet sexy…

Ik laat me niet door zijn aantrekkelijke move van de wijs brengen: ‘Wat is dat nou voor een vraag? Natuurlijk moet ik veilig zijn. Wil niet iedereen dat?’

‘Nee. Niet iedereen.’

‘Jij niet dan?’

‘O, ik zeker wel. Ik ben de man die het meest veilig moet zijn op de hele planeet.’

Kan zijn antwoord nog cryptischer? Of arroganter? Hij doet alsof hij een heel belangrijk figuur is. Wie is deze man?

‘Maar ik niet?’ vraag ik.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordt hij.

Ik besluit helemaal eerlijk te zijn: ‘Ik vind je raar. Je praat raar. Ik snap helemaal niet wat je bedoelt.’

‘Ik bedoel precies wat ik zeg,’ zegt hij, terwijl hij een paar keer knippert.

‘Ik denk dat ik je niet leuk vind.’

‘Je hoeft me niet leuk te vinden. Ik vind je leuk genoeg voor ons allebei. Ook al lijkt het erop dat jij me niet mag.’

‘Je vindt me leuk?’

‘Ja.’

‘Waarom? Je kent mij helemaal niet.’

‘Ik weet meer dan je denkt. Raar genoeg…’ Hij houdt zijn hoofd scheef alsof hij zichzelf ook niet helemaal begrijpt. ‘… Je hebt geen idee hoe mooi je bent. Je bent lief en aardig voor mij, ook al ken je me niet. Je voedt me. Je laat me op je bank slapen. Je bent zorgzaam en gevoelig. Je redt je hier helemaal alleen en dat vind ik stoer.’

‘Ik ben niet alleen,’ verklaar ik nogmaals.

‘O ja. Sorry.’ Zijn antwoord laat zien dat hij denkt dat ik gek ben. Maar als hij praat, ziet zijn mond er aangenaam uit. Waarom leidt hij mijn gedachten elke keer af door zijn algehele onweerstaanbare aantrekkelijkheid?

Hij trekt zich weer niets aan van mijn regel over het niet stellen van vragen: ‘Waarom ben je niet bang voor me?’

Waarom vindt deze man dat ik bang zou moeten zijn? Omdat ik een vrouw alleen ben met een vreemde grote kerel zoals hij? Ha! Hij heeft geen idee met wie hij te maken heeft. Hij zou juist bang moeten zijn voor mij!

Ja, ja, stoere praat Angie. Blijf dat jezelf maar wijsmaken.

En waarom springt hij zo van hak op de tak? Ik krijg er hoofdpijn van.

‘Ja hij is wel een beetje inconsequent, lijkt wel,’ bevestigt mijn Mickey.

Ergens voelt het fijn dat Mickey het met me eens is en daar krijg ik het lef van om te verklaren: ‘Ach ja, je weet wat ze zeggen over angst.’

Hij bekijkt me geïntrigeerd, maar geeft geen reactie. Dus leg ik uit: ‘Angst komt te paard en gaat te voet.’

‘Nee, vertrouwen komt te voet en gaat te paard,’ verbetert hij me.

‘Ja, voor angst geldt het tegenovergestelde. Daarom moet je ertegen vechten, want als je eenmaal bang bent, dan kom je daar heel moeilijk van af,’ zeg ik en in mijn hoofd maak ik een “drop the mic” beweging terwijl Mickey applaudisseert.

‘O. Daarom woon jij hier alleen in de bergen. Omdat jij niet bang wil zijn. Dus je bent bang voor de angst?

‘Luister, makker, ik ben misschien wel een beetje op de vlucht, maar dat is geheel uit veiligheidsoverwegingen, die trouwens heel erg privé zijn, en helemaal niet omdat ik ergens bang voor ben, okay?’

Hij kijkt ongelovig en ik maak mezelf groot en stoer in mijn hoofd voor wat ik als volgt verklaar: ‘Ik doe nooit iets vanuit angst. Want ik ben nooit bang. Ik ben zo geboren. Ik ben allergisch voor angst. Ik ben teflon. Angst glijdt zo van me af. Dat maakt me anders dan andere mensen. Ik zou van zo’n andere planeet kunnen komen. Ik ken geen angst.’

Als het een paar momenten ongemakkelijk stil is, zegt hij op zachte, bewonderende toon: ‘Okay.’ En dan verpest hij het door te zeggen: ‘Angst is een gevoelig onderwerp. Ik zal er niet meer over beginnen.’

‘Heel verstandig,’ bevestig ik.

‘Waarom woon je hier alleen?’ vraagt hij ineens. Wat hadden we nou afgesproken over vragen stellen? Wat een brutaliteit zeg…

Ik sta daar met open mond hem aan te gapen en te bedenken wat ik hier nu weer mee aan moet, maar hij gaat door: ‘De problemen die jij denkt te ontlopen door je hier in de bergen te verbergen helemaal alleen… dat is een denkfout.’

‘O, fijn dat jij er nu bent om mij te voorzien van deze wijsheid. Wat had ik zonder je gemoeten?’ vraag ik sarcastisch.

Hij negeert me: ‘Door te vluchten voor je problemen roep je alleen maar nieuwe problemen op. Want problemen ontlopen is iets waar jullie telkens naar streven – dat paradijs van rust en vrijheid…’

“Jullie telkens naar streven?” Over wie heeft hij het? Scheert hij me nu over één kam met de rest van de mensheid? En hoort hij daar dan niet bij? Wat een raar gesprek is dit…

“… dat bestaat niet. Want het leven is een golf van negatief en positief, waarbij het negatieve juist voeding is voor het positieve. Als het ware is het de mest die nodig is en waaruit mooie dingen kunnen groeien. Dus… welke mest je ook denkt niet nodig te hebben, je hebt het mis.”

Mijn hersenen maken kortsluiting door al de woorden die opeens uit zijn mond vliegen. Blijkbaar heeft deze man wel heel wat te zeggen. Als hij iets zegt. Wat hij meestal niet doet. Later zal ik dit gesprek vaak in mijn hoofd terugspelen en zal ik zijn wijsheid waarschijnlijk wel weten te waarderen. Maar dat is niet nu.

Nu vraag ik: ‘Ben je altijd zo…’ tja, wat is hij eigenlijk? Gestoord? ‘… intens? Of alleen bij mij?’

Er valt een pauze waar hij gewoon staat en me aanstaart, zijn ogen warm. Dan gebeurt er een wonder: hij glimlacht oprecht. Het is mooi. Het is warm en doet dingen met mijn hart. Maar ik wil niet dat hij dat weet. Dus zeg ik: ‘Ik begin er echt spijt van te krijgen dat ik je leven heb gered, weet je dat?’

Hij zit stil voor me, nog steeds met die rare, zelfvoldane, maar nu wel mooie glimlach op zijn nog mooiere gezicht, en ik vraag: ‘En nu?’

‘Hoezo, en nu?’ vraagt hij.

Ik besluit de olifant in de kamer niet langer te negeren. Dus zeg ik: ‘Ik neem aan dat je me verder niets meer over jezelf gaat vertellen? Je achternaam bijvoorbeeld? Of ook maar iets over jezelf?’

Deze man is zo mysterieus, dat ik vermoed dat hij een of ander bekend figuur is of zo. Ik bedoel, wanneer je zo rijk bent als Jeff Bezos en je komt iemand tegen die niet weet wie je bent, dan hou je dat natuurlijk het liefst zo. Om te voorkomen dat men naar het dichtstbijzijnde tijdschrift rent en het verhaal verkoopt over hoe je bij iemand voor de deur bent neergestort.

‘Ik ben een heel privépersoon, inderdaad,’ bevestigt hij.

‘Waar moeten we het dan over hebben?’

‘Niet. Praten wordt overschat.’

‘Oké dan… heb je ergens last van? Heb je een paracetamol nodig of zo?’

‘Waar ik last van heb, is onder controle.’

‘Onder controle? Dus je hebt nog steeds last?’

‘”Last” is niet het juiste woord. Het is… anders. Ik voel me… anders.’

‘Anders dan normaal?’

‘Ja.’

‘Zal ik je dan voortaan Anders noemen, in plaats van Alles?’ Ik vind mezelf zo grappig.

‘Je kunt me noemen zoals je wilt. Ik ben vrij nu. Voorlopig in ieder geval.’

‘Vrij? Ben je soms een crimineel die ontsnapt is uit de gevangenis?’

‘Nee. Ik bedacht net dat mijn tijd hier een soort… vakantie is. Een ongeplande, verplichte vakantie… een vakantie in de bergen met een mooie vrouw. Wat wil een man nog meer?’

‘Je vindt me mooi?’

‘Hoe kan ik dat niet?’

Het compliment dat uit de mond van een arrogante, maar ook erg intelligente en mysterieuze man komt, voelt veel beter dan het zou moeten.

3 reacties Voeg uw reactie toe

  1. Connie's avatar Connie schreef:

    Omg ik ben nu al helemaal verkocht kan niet wachten op de rest!

    Like

  2. Claudia's avatar Claudia schreef:

    Kon t niet neerleggen, werd er helemaal ingezogen. Goed dat je ons trickert met haar verleden maar er nog niets over loslaat ,ik hou ervan als er nog iets mysterieus is nou dat is hier aan beide kanten het geval. Goed pakkend geschreven, ik heb geen commentaar. Hoop dat je wat aan deze feedback hebt

    groetjes Claudia

    Like

Geef een reactie op Claudia Reactie annuleren